Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/335
335 De functioneel bestuurder?
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369084:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Ten Have 2005, p. 152-153. Witteveen besteedt in zijn noot onder Ciris al aandacht aan deze problematiek, HR 15 april 2005, JOR 2005/6 m.nt. Witteveen (Ciris).
Zie HR 3 februari 2006, JAR 2006/66, m.nt. Beltzer (Seebregts). A-G Timmerman ziet in de onderhavige zaak onvoldoende aanknopingspunten voor een splitsing tussen de contractuele en functionele band en concludeert tot verwerping. De Hoge Raad doet de zaak af op grond van art. 81 RO.
De hoofdregel is door de Hoge Raad geformuleerd in het Ciris-arrest, HR 15 april 2005, JOR 2005/6 m.nt. Witteveen (Ciris). Zie PHR 3 februari 2006, JAR 2006/66 (Seebregts), onder 2.7.
Het is volgens Timmerman goed denkbaar dat bij de ene vennootschap iemand uitsluitend werkzaamheden als werknemer verricht, terwijl een ander bij een andere vennootschap min of meer dezelfde werkzaamheden als bestuurder verricht.
Verburg 2005, p. 28.
Asser/Kroeze 2015, nr. 196.
Hof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9834, r.o. 4.4 e.v.
In de praktijk zullen bij beursgenoteerde vennootschappen bijna zonder uitzondering nieuwe voorwaarden overeen worden gekomen, die in zullen gaan na benoeming. Bij een gewone naamloze vennootschap kan het echter voorkomen dat – zoals Ten Have stelt – “[…] functie, takenpakket en arbeidsvoorwaarden van de bestuurder nauwelijks worden gewijzigd, omdat het statutair bestuurderschap bij de uitoefening van de werkzaamheden geen werkelijke rol speelt […]”.1A-G Timmerman gaat in zijn conclusie bij het Seebregts-arrest in op de vraag of, in een situatie zoals door Ten Have geschetst, ontslagneming van een statutair bestuurder van een naamloze of besloten vennootschap te allen tijde het einde van zijn arbeidsovereenkomst met deze vennootschap tot gevolg heeft.2 Hij stelt dat de hoofdregel is, dat een ontslagneming door de bestuurder niet eenzijdig beperkt kan blijven tot verlies van de hoedanigheid van bestuurder met instandhouding van de dienstbetrekking.3 Zou van deze hoofdregel worden afgeweken, dan zou er een onderscheid gemaakt moeten worden tussen werkzaamheden die als bestuurder worden verricht en die als werknemer worden verricht. Een dergelijk onderscheid valt volgens Timmerman doorgaans niet goed te maken en zal tot juridische complicaties en procedures leiden. Hij wijst erop dat bestuursfuncties, naar gelang van de soort van vennootschap, een nogal uiteenlopende inhoud hebben.4 Op dit punt hebben de betrokken partijen aldus vrijheid hun relatie naar eigen inzicht vorm te geven. Daarnaast zou splitsing er tevens voor kunnen zorgen dat – zoals Verburg opmerkt – de bestuurder een deel van zijn taken buiten het bestuurderschap brengt, van een aparte beloning voorziet en daarmee de indruk wekt dat hij een veel lager inkomen heeft dan in werkelijkheid het geval is.5 Timmerman merkt op dat vorenstaande niet betekent dat er nooit tussen de vennootschappelijke en arbeidsrechtelijke positie gesplitst mag worden. In uitzonderlijke gevallen kan er volgens hem wel degelijk reden voor splitsing zijn, waarbij hij expliciet wijst op de situatie zoals geschetst door Ten Have. Het enkele feit dat de bestuurder, voordat hij bestuurder werd, al een arbeidsovereenkomst met de vennootschap had, is echter niet voldoende voor een splitsing.
Timmerman heeft het in zijn conclusie bij het Seebregts-arrest over een splitsing tussen de functionele en contractuele band. Het gaat in dat geval om de uitzonderingssituatie waarbij de functionele band teniet gaat met behoud van de contractuele band. Andersom is niet mogelijk. Op twee manieren kan tot een dergelijke splitsing worden gekomen. De meest voor de hand liggende weg is dat de specifieke omstandigheden van het geval leiden tot een afwijken op grond van de redelijkheid en billijkheid van de hoofdregel dat beide banden teniet gaan als de functionele band wordt doorgesneden. Betoogd zou daarnaast kunnen worden dat in het geval waarin functie, takenpakket en arbeidsvoorwaarden van de bestuurder nauwelijks worden gewijzigd, omdat het statutair bestuurderschap bij de uitoefening van de werkzaamheden geen werkelijke rol speelt, er in wezen sprake is van twee contractuele banden die naast elkaar bestaan. In dat geval is er geen sprake van opsplitsing van de vennootschappelijke betrekking (functioneel en contractueel) maar van een uitzonderingssituatie gelijk aan het voorbeeld dat wordt gegeven door Kroeze.6 Het hof Arnhem-Leeuwarden lijkt eenzelfde redenering te volgen in zijn uitpraak van 22 december 2015.7 Daarin speelde de vraag of een managementovereenkomst met een aandeelhouder/bestuurder slechts kon worden opgezegd indien tegelijkertijd het statutair bestuurderschap zou eindigen. Het hof overweegt dat uit een analoge toepassing van de 15 april-arresten niet volgt dat, zolang het statutair bestuurderschap van de betrokkene niet door ontslag of vrijwillig – door de bestuurder – is beëindigd, een met de bestuurder gesloten managementovereenkomst niet door een afzonderlijke opzegging kan eindigen. Als reden geeft het hof dat van een lotsverbondenheid tussen beide overeenkomsten in het onderhavige geval geen grond is, aangezien met de andere twee aandeelhouders/bestuurders geen managementovereenkomst is gesloten. Dit laatste zou erop wijzen dat de aandeelhouders een koppeling tussen het bestuurdersschap en het hebben van een managementovereenkomst niet in algemene zin gewenst of noodzakelijk hebben geacht.
Aanvaarding van het aanbod dat volgt uit het benoemingsbesluit door de bestuurder doet aldus in de regel een nieuwe contractuele band tot stand komen. Dat laat onverlet dat er mogelijk problemen kunnen ontstaan wanneer het orgaan dat benoemt of de bezoldiging vaststelt, niet hetzelfde orgaan is dat ook bevoegd is de arbeids- of opdrachtovereenkomst te sluiten. De vraag rijst in dat geval wie eigenlijk bevoegd is de (arbeids)overeenkomst namens de vennootschap aan te gaan? En hoe verhoudt de (arbeids)overeenkomst zich tot het vaststellen van de bezoldiging? Voor beantwoording van deze vragen is allereerst een duiding van art. 2:135 lid 4 BW nodig.