Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.2.1:6.3.2.1 Het redelijkheidscriterium
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.2.1
6.3.2.1 Het redelijkheidscriterium
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500644:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. paragraaf 3.3.6.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ondernemer wordt de door hem in aftrek gebrachte btw op grond van art. 29 lid 7 Wet OB 1968 verschuldigd op het tijdstip waarop de niet-betaling komt vast te staan. Daarmee verschilt de bepaling met art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017), aangezien de correctie op grond van die bepaling reeds ontstond op het moment waarop redelijkerwijs moest worden aangenomen dat de vergoeding niet zou worden betaald. Omdat in het leven vrijwel niets zeker is,1 zou een ondernemer zich op het standpunt kunnen stellen dat een niet-betaling nooit zeker is. Het is derhalve legitiem om de vraag op te werpen of daadwerkelijk afscheid is genomen van het redelijkheidscriterium.
6.3.2.1.1 Het redelijkheidscriterium tot 20176.3.2.1.2 Het redelijkheidscriterium vanaf 2017