Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/332
332 Benoeming, bezoldiging en overeenkomst: wie is bevoegd?
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367851:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
De bevoegdheid kan wel op grond van de wet bij een ander orgaan komen te liggen. Er wordt een uitzondering op de hoofdregel van art. 2:132 lid 1 BW gemaakt bij een naamloze vennootschap die onderworpen is aan de structuurregeling. In dat geval is het de raad van commissarissen die de bestuurders benoemt, zie art. 2:162 BW.
In art. 2:245 BW – de vergelijkbare regeling voor de BV – is de beperking dat de bevoegdheid slechts gedelegeerd kan worden aan een ander orgaan niet opgenomen.
Indien de raad van commissarissen deze bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen, zal er primair een voorstel ontworpen worden door de remuneratiecommissie (veelal na onderhandelingen met de bestuurder), dat daarna door de plenaire raad van commissarissen wordt goedgekeurd.
Evenals overigens art. 2:245 BW bij een besloten vennootschap die onderworpen is aan de structuurregeling. Zie Huizink 2004, art. 135, aant. 2; Bulten 2014, p. 97; Kamerstukken II, 32 512, nr. 3, p. 2.
De Aufsichtrat respectievelijk de board of directors, zie hoofdstuk 26.
Een voorbeeld hiervan kwam naar voren in de Ahold-beschikking, waarin een dusdanig royale vergoeding overeen was gekomen met de potentiële bestuurder indien hij niet zou worden benoemd, dat de AVA niet het gevoel had vrij te staan de bestuurder niet te benoemen. Zie over deze Ahold-beschikking randnummers 341 en 452.
Bij beursgenoteerde ondernemingen wordt de overeenkomst sinds de invoering van art. 2:132 lid 3 BW niet meer aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. In de regel zal er dus sprake zijn van een overeenkomst van opdracht. Art. 2:135 lid 4 BW geldt echter voor alle naamloze vennootschappen waardoor bij niet-beursgenoteerde ondernemingen de verhouding tussen de vastgestelde bezoldiging en de arbeidsovereenkomst voor rechtsonzekerheid kan zorgen. Ik zal derhalve tevens ingaan op de vertegenwoordigingsbevoegdheid ten aanzien van de arbeidsovereenkomst.
Een aantal van deze onderwerpen vallen immers niet onder het begrip bezoldiging waardoor de vraag opkomt wie bevoegd is de vennootschap ten aanzien van deze onderwerpen te binden. Zie Bennaars 2015, p. 137/138.
Zie o.a. Bennaars 2015, hoofdstuk 4 en 5; Meijer-Wagenaar 2006.
Bennaars 2015, hoofdstuk 4 en 5.
Zie Bennaars 2015, p. 186 en 187 onder verwijzing naar bpb II.2.4 Code 2008 (dit moet zijn II.2.14 Code 2008) waarin is opgenomen dat de belangrijkste elementen uit het contract met de individuele bestuurder na het sluiten van het contract gepubliceerd moeten worden, welke openbaarmaking uiterlijk dient te geschieden bij de oproeping voor de algemene vergadering waar de benoeming van de bestuurder wordt voorgesteld. In de Code 2016 is dit bpb 3.4.2.
Zie Meijer-Wagenaar 2006, p. 685; Bennaars 2015, p. 190 e.v.
Bennaars 2015, p. 190.
Meijer-Wagenaar 2006; Meijer-Wagenaar 2014.
De mogelijke discrepanties komen volgens Bennaars tevens voor in de relatie tussen het benoemingsbesluit en een eventuele (arbeids)overeenkomst. Bennaars 2015, zie hoofdstuk 4 en tevens p. 190.
Van oudsher bestaat de regel dat het orgaan dat de bevoegdheid heeft om individuele bestuursleden te benoemen en te ontslaan, in beginsel ook de bevoegdheid heeft om de bestuurdersbezoldiging vast te stellen. Over het algemeen is het de algemene vergadering van aandeelhouders die een bestuurder benoemt ex 2:132 lid 1 BW en die op grond van art. 2:135 lid 4 BW bevoegd is de individuele bezoldiging van bestuurders vast te stellen. De bevoegdheid tot het benoemen van een bestuurder kan niet worden gedelegeerd.1 De bevoegdheid van de algemene vergadering tot het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders kan wel, doch alleen bij de statuten, gedelegeerd worden aan een ander orgaan van de vennootschap.2 Wordt van deze mogelijkheid gebruikgemaakt, dan ligt de bevoegdheid tot benoeming en tot vaststelling van de bezoldiging dus bij twee verschillende organen. Bij beursgenoteerde vennootschappen is het in de praktijk gewoon, dat de raad van commissarissen op grond van de statuten bevoegd is de bezoldiging van de individuele bestuurders vast te stellen.3 Het komt dan ook veelvuldig voor dat de benoemingsbevoegdheid en bezoldigingsbevoegdheid uiteenlopen.
Zo in beginsel ook bij een naamloze vennootschap die onderworpen is aan de structuurregeling. Art. 2:135 BW is in dergelijke gevallen gewoon van toepassing.4 Hoewel de bevoegdheid tot het benoemen van de bestuurder bij structuurvennootschappen bij de raad van commissarissen ligt, blijft de algemene vergadering bevoegd tot het vaststellen van de individuele bezoldiging, tenzij deze laatste bevoegdheid – zoals in de praktijk overigens gebruikelijk – wordt gedelegeerd aan de raad van commissarissen.
Met vorenstaande wijkt het Nederlandse systeem af van de bevoegdheidsverdeling die geldt in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten waar de bevoegdheid tot het benoemen en het vaststellen van de bezoldiging van de (uitvoerende) bestuurder in beginsel bij één orgaan ligt.5 Dit Nederlandse systeem brengt mogelijke problemen met zich waar in de praktijk tegenaan wordt gelopen.6
Deze mogelijke problemen worden versterkt omdat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de verhouding tussen de bevoegdheid om de bezoldiging vast te stellen ex art. 2:135 lid 4 BW en de bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht namens de vennootschap met de bestuurder af te sluiten.7 In een dergelijke overeenkomst kunnen naast afspraken over de bezoldiging, zoals het salaris, het pensioen en een eventuele beëindigingsvergoeding, tevens bepalingen zijn opgenomen over de aanstelling, de opzegtermijn en bijvoorbeeld een concurrentiebeding.8 Het vennootschapsrecht regelt weliswaar expliciet wie bevoegd is de bestuurder te benoemen en de bestuurdersbezoldiging vast te stellen, maar over de vraag hoe de benoeming en de vastgestelde bezoldiging zich verhouden tot de arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht met de bestuurder laat de wet zich niet uit.9
In de literatuur wordt erop gewezen dat het uiteenlopen van de bevoegdheid tot benoeming en bezoldiging het antwoord op deze vraag niet gemakkelijker maakt. Daar komt bij dat in de praktijk vaak eerst een (arbeids)overeenkomst wordt overeengekomen voordat er sprake is van een formeel benoemingsbesluit (en in sommige gevallen zelfs een bezoldigingsbesluit).10
In de Code 2016 lijkt er zelfs van uit te worden gegaan dat het ‘good governance’ is dat eerst een overeenkomst wordt gesloten met de beoogd bestuurder en daarna het bevoegde orgaan pas besluit over de benoeming.11
Gesproken wordt dan ook van een mogelijke samenloop van het arbeidsrecht en het vennootschapsrecht wanneer er enerzijds een overeenkomst is gesloten waarin ook bezoldigingsafspraken worden overeengekomen, terwijl daarnaast de bezoldiging wordt vastgesteld bij besluit ex art. 2:135 BW.12 Zo wijst Bennaars op mogelijke discrepanties tussen de beloningsvoorwaarden in de overeenkomst en het bezoldigingsbesluit, die volgens haar kunnen ontstaan wanneer de vertegenwoordigingsbevoegdheid om de overeenkomst te sluiten en de bevoegdheid het bezoldigingsbesluit te nemen, uiteenlopen.13 Ook Meijer-Wagenaar gaat ervan uit dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid bij het aangaan van bezoldigingsafspraken in een arbeidsovereenkomst bij een ander orgaan kan liggen dan het orgaan dat ex art. 2:135 lid 4 BW bevoegd is de bezoldiging vast te stellen.14
De vraag is derhalve of het orgaan dat bevoegd is de arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht te sluiten namens de vennootschap een ander kan zijn dan het orgaan dat bevoegd is de bezoldiging van bestuurders vast te stellen. Voordat aan beantwoording hiervan kan worden toegekomen is een kleine uiteenzetting noodzakelijk over hoe het benoemingsbesluit en een eventuele arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht zich tot elkaar verhouden.15