Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/3.2.2:3.2.2 Onderzoeksopzet deel 2: Officieren van justitie en rechters over strafrecht
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/3.2.2
3.2.2 Onderzoeksopzet deel 2: Officieren van justitie en rechters over strafrecht
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200726:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het doel van het tweede deelonderzoek is na te gaan in hoeverre opvattingen van officieren van justitie en rechters over strafrecht vergelijkbaar zijn met die van politiemensen. Tevens is de vraag onderzocht hoe leden van de magistratuur aankijken tegen spanningen tussen due process- en crime control-waarden en verschillende strafdoelen, en waardoor hun opvattingen hierover verklaard kunnen worden. Op basis van het eerder afgeronde eerste deel van dit onderzoek kon worden vermoed dat sprake zou zijn van verschillen van opvatting en een verschil in ‘perspectief’ tussen met name politiemensen en leden van de rechterlijke macht. Echter, voorafgaand aan uitvoering van deel 2 van dit onderzoek had hiernaar nog geen gericht onderzoek plaatsgevonden. Niet eerder zijn opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters over het strafrecht en hun verschillende perspectieven daarop, zo uitgebreid en systematisch met elkaar vergeleken als in dit onderzoek. Het verklarende deel van dit onderzoek is niet zonder theoretische uitgangspunten en verwachtingen vooraf uitgevoerd (zie hoofdstuk 2), maar is vooral inductief en explorerend van aard en minder deductief en toetsend.
Tijdens open interviews (na afloop volledig getranscribeerd) met officieren van justitie en rechters zijn de volgende vragen en thema’s aan de orde gesteld:
Wat zijn hun opvattingen over de kritiek van politiemensen op het functioneren van het strafrecht. In hoeverre delen zij deze? In hoeverre zijn ze zelf tevreden over het functioneren van het strafrecht? Wat vinden ze daarbij belangrijk? Welke problemen zien ze zelf in het functioneren van het strafrecht? Concentreren deze problemen zich bijvoorbeeld op bepaalde delicttypen en/of verdachten (zoals resp. veelvoorkomende criminaliteit en recidivisten)? Wat zegt het voorkomen van veelplegers volgens hen over het functioneren van het strafrecht?
Wat zien zij als oorzaken van ervaren problemen?
Waaruit verklaren zij eventuele verschillen in opvatting tussen politiemensen, officieren van justitie en rechters? Welke rol spelen verschillen in formele en gevoelde verantwoordelijkheid, werksituatie en/of organisatorische context hierbij volgens hen? Wat zijn hiervan de achtergronden?
Hoe kijken zij zelf aan tegen de huidige relatie tussen crime control en due process? Hoe verhoudt de aandacht voor het doen van recht aan de individuele verdachte zich tot de mate waarin recht kan worden gedaan aan de belangen van criminaliteitsbeheersing en slachtoffers? Hoe kijken ze aan tegen deze belangen?
In hoeverre denken ze dat de sancties die worden toegepast helpen de criminaliteit te beheersen? Waarom? En zo nee, hoe zou dat volgens hen dan wel moeten gebeuren?
Hoe kijken ze zelf aan tegen de relatie tussen verschillende strafdoelen? In hoeverre worden ze tot hun tevredenheid verwezenlijkt in de strafrechtspraktijk? Wat zou er beter kunnen?
Zijn in de relatie tussen crime control en due process en tussen verschillende strafdoelen volgens hen veranderingen opgetreden? Wat zijn daarvan volgens hen de oorzaken? Spelen hierbij bijvoorbeeld de maatschappelijke roep om meer veiligheid, hogere straffen of zorgen over de zorgvuldigheid van de strafrechtspleging een rol?
Tijdens de interviews was er gelegenheid op dat moment recente ontwikkelingen in de wetgeving en beleidsthema’s aan de orde te stellen, zoals de verhoging van de maximumstraffen en ZSM. Hierdoor is een aanvullend beeld verkregen van de opvattingen van officieren en rechters over de relatie tussen due process en crime control en over de verhouding tussen verschillende strafdoelen. Ook kwamen uit de interviews factoren naar voren die op genoemde opvattingen van invloed kunnen zijn.
Deel 2 van dit onderzoek bestaat uit drie fasen: 25 open interviews met officieren van justitie (1), 25 open interviews met rechters (2), gevolgd door een overall analyse (3). Hierbij zijn ook de uitkomsten betrokken van het eerder uitgevoerde onderzoek onder politiemensen. Gekozen is dit onderzoek te beperken tot en met de afhandeling van strafzaken in eerste aanleg. Er wordt geen aandacht gegeven aan de afhandeling van strafzaken afkomstig van bijzondere opsporingsdiensten.
De interviews met officieren hebben plaatsgevonden bij twee verschillende OM-parketten: een groot niet-randstedelijk parket en een parket in de Randstad. Eenzelfde verdeling is bij de selectie van de rechtbanken gevolgd. Opnieuw is een ‘provinciale’ rechtbank gekozen en een rechtbank in één van de grote steden. Bij de interviews met magistraten was het belangrijkste doel een zo goed mogelijk beeld te verkrijgen van de opvattingen die onder hen leven over de strafrechtspleging. Mogelijke onderlinge verschillen in opvatting zijn daarbij van belang, mede doordat uit deel 1 van het onderzoek naar voren was gekomen dat politiemensen die verschillen ervaren in de strafrechtelijke uitkomsten. De 25 interviews met rechters hebben daarom plaatsgevonden nadat de interviewronde met de officieren was afgerond. Te interviewen magistraten zijn via de sneeuwbalmethode benaderd, waarbij de verwachting was dat zowel officieren van justitie als rechters wel enig zicht zouden hebben op verschillen in opvatting onder hun collega’s. Er is binnen de geselecteerde OM-parketten en rechtbanken begonnen een beperkt aantal officieren en rechters te interviewen; zij droegen namen aan van collega’s voor de navolgende interviews. De interviews voor deel twee van dit onderzoek hebben plaatsgevonden in 2015 en 2016.
Fase 1: Interviews met officieren van justitie
Bij de selectie van officieren van justitie voor de eerste interviews is rekening gehouden met de verschillende verantwoordelijkheden die officieren toegewezen kunnen krijgen. De verdeling van werkzaamheden onder officieren vindt grotendeels plaats op basis van zwaarte van de zaken. In één parket betekende dit een verdeling van de werkzaamheden in ‘interventies’ (vooral veelvoorkomende criminaliteit), High Impact Crime (HIC) (zoals woninginbraken en overvallen) en ‘ondermijning’ (zware en georganiseerde criminaliteit). Uit deze categorieën zijn in beide parketten officieren benaderd voor de interviews. Onder hen bleken diverse officieren ZSM-diensten te combineren met hun andere werk en in een enkel geval was een officier voornamelijk gespecialiseerd in jeugdzaken.
Fase 2: Interviews met rechters
Binnen de strafrechtspraak wordt in eerste instantie recht gesproken door de kantonrechter (deze behandelt alleen overtredingen), de politierechter – beide zijn ‘enkelvoudige’ rechters – en door meervoudige kamers, bestaande uit ten minste drie rechters. Tijdens het opsporingsonderzoek door de politie beslist de rechter-commissaris onder meer over het aftappen van telefoons, de inbewaringstelling van verdachten en het doorzoeken van woningen. Dit functionele onderscheid is ook bij de selectie van te interviewen rechters gevolgd in combinatie met de eerder genoemde sneeuwbalmethode. Er zijn geen kantonrechters geïnterviewd. De interviews met de rechters hebben plaatsgevonden nadat de interviews met officieren van justitie waren afgerond. Dit gaf de gelegenheid ook opvattingen van officieren van justitie over het functioneren van het strafrecht aan rechters voor te leggen.
Fase 3: Overall analyse
In deze fase is op dezelfde manier gewerkt als in deelonderzoek 1 (zie fase 3 hierboven). In de overall analyse zijn vervolgens beide deelonderzoeken (politiemensen en leden van de magistratuur) met elkaar vergeleken. In deze analyse ging het om het in kaart brengen van overeenkomsten en verschillen in opvattingen binnen en tussen de geïnterviewde groepen politiemensen, officieren en rechters, maar ook om de factoren die op deze opvattingen van invloed kunnen zijn.