Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.4.0:5.4.0 Introductie
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.4.0
5.4.0 Introductie
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200724:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Landelijk bezien wordt in bijna tweederde van de gevallen die binnen ZSM aan de orde komen besloten tot dagvaarding of sepot. Daarmee moet de veronderstelling dat ZSM in de meeste gevallen tot een snelle straf leidt worden genuanceerd (Salet & Terpstra, 2017: 59).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoe denken officieren van justitie over de straffen die worden opgelegd, over hoe de door hen gewenste strafdoelen daarbij tot uitdrukking komen en hoe kijken ze aan tegen de opvattingen van politiemensen hierover?
Het zicht van officieren van justitie op de effecten van straffen lijkt in concrete gevallen beperkt te zijn. Vanzelfsprekend is er geen zicht op gevallen die niet opnieuw met politie en justitie in aanraking zijn gekomen, maar ook als dat wel is gebeurd, blijft dat vaak buiten het zicht van een individuele officier van justitie. Mogelijk werd om deze reden door officieren van justitie tijdens de interviews regelmatig verwezen naar vaak tamelijk vage beelden van effecten van straffen:
‘Telkens komt er weer iets anders binnen en gaan we weer naar de volgende zaak. Maar je moet eigenlijk zorgen dat iemand iets blijvends meeneemt en niet alleen maar een tijd opgesloten zit.’
Van de geïnterviewde officieren van justitie is de meerderheid over de gehele linie tevreden met de strafoplegging in Nederland. Tegelijkertijd gaan veel officieren van justitie er tijdens de interviews toe over een aantal delicttypen te noemen waarbij volgens hen de opgelegde straffen onvoldoende zijn. Kritische opvattingen van deze officieren sluiten vaak voor een groot deel aan bij de kritiek die politiemensen hebben op straffen die in Nederland worden opgelegd.
Bij hun opvatting over straffen speelt een rol dat officieren van justitie zich vaak sterk lijken te identificeren met de rechterlijke macht. Daarbij hoort in hun ogen dat zij zich ook conformeren aan ‘wat gebruikelijk is’: het huidige strafklimaat wordt overgenomen en verdedigd. Tegelijkertijd vormen de geldende strafrichtlijnen voor officieren een belangrijk uitgangspunt en wordt het structurele verschil met de oriëntatiepunten van de rechtspraak als hinderlijk ervaren. Opvallend is dat officieren van justitie vaak zeggen straffen geen goed idee te vinden, zolang er in hun ogen zicht is op mogelijkheden om de verdachte beter te maken en op een andere wijze recidive te voorkomen. Echter, in individuele gevallen blijken ze het regelmatig niet met de opgelegde straf eens te zijn. Deze vinden ze dan meestal te laag.
‘Ik realiseer me heel goed: ik maak onderdeel uit van de rechterlijke macht. Ik weet wat gebruikelijk is, wat richtlijnen en oriëntatiepunten zijn. Ik vind niet dat het standaard te laag is. Ik vind wel dat het in sommige zaken te laag is.’
Mogelijk zijn opvattingen van officieren van justitie over straffen ontleend aan de bestaande strafrechtspraktijk, meer dan aan hun eigen visie op de de doelen die het strafrechtsysteem zou moeten bereiken. Een aanwijzing daarvoor is de worsteling van sommigen met dit onderwerp:
‘Als we zouden willen dat er geen criminaliteit meer is, dan is het antwoord dat het nu niet goed gaat. Wil je een samenleving waar je mensen een tweede kans geeft, dan is het oké zo. Mijn eigen positie: ik worstel daar een beetje mee. Het strafrecht zit vol met tegenstellingen en dat maakt het ook zo leuk.’
Enkele officieren wijzen op het veelvuldige gebruik van richtlijnen en de nadruk op snelheid (binnen ZSM). Gevolg hiervan is volgens hen dat het OM tegenwoordig sterker op straffen is gericht en dat andere mogelijkheden onvoldoende uit de verf komen in de praktijk. In hun ogen is het nut van straffen beperkt en zouden strafrechtelijke interventies meer dan nu moeten bijdragen aan het voorkomen van recidive.
‘In het algemeen is de strafrechtspleging te veel gericht op straffen alleen. Volgens mij zijn er vanuit diverse takken van de wetenschap langzamerhand nog maar weinig die ervan overtuigd zijn dat straffen alleen helpt. Je moet er als organisatie meer naartoe dat een straf een element kan zijn om iets anders te bereiken. Het is geen doel op zich. Je moet via hulp of zorg, eventueel dwang, proberen iets duurzaams te verbeteren.’
Veel officieren van justitie ervaren een stijgende trend in de strafoplegging en daarvoor bestaat onder hen brede steun. Hierop is volgens hen de publieke opinie in ruime mate van invloed, waardoor er voor de ontevredenheid zoals die onder politiemensen veel voorkomt geen reden meer zou zijn. Soms wordt tijdens de interviews een bepaald strafbaar feit als voorbeeld genomen om de ervaren ontwikkeling in de opgelegde straffen toe te lichten. Zo’n voorbeeld is mensenhandel. Dit delict zou onder invloed van onder meer het OM door rechters tegenwoordig anders worden beoordeeld en zwaarder worden bestraft. Ook wordt daarbij genoemd dat in een aantal gevallen de strafmaxima zijn verhoogd door de wetgever en dat hiermee goed is gereageerd op ‘signalen vanuit de samenleving’. Ook kijken arrondissementsparketten naar elkaar, waarbij strafeisen worden vergeleken.
‘Toen ik hier kwam in 2008 vond ik de eisen voor overvallen aan de lage kant. Ik kwam uit Zwolle en daar waren we als richtlijn gewend aan twee jaar. Hier was het twaalf maanden. Dat is wel verschoven in de loop der tijd. Dat is denk ik een vrij natuurlijk proces.’
In reactie op het negatieve oordeel van politiemensen over straffen verwijzen meerdere officieren van justitie naar het mildere strafklimaat in sommige andere Europese landen. Ook wordt door officieren gewezen op de systematische opbouw van de strafmaxima in het strafrecht: de delicten zijn immers niet allemaal even ernstig.
Officieren van justitie introduceren ten opzichte van het vorige hoofdstuk nauwelijks nieuwe onderwerpen bij het thema straffen. Onderscheidend is wel dat enkele officieren opmerkingen maken over het functioneren van ZSM. Veel officieren van justitie zien deze beleidsontwikkeling als onvermijdelijk, gezien de beperkte middelen die beschikbaar zijn. Daarbij gaan ze er regelmatig vanuit dat sinds invoering van ZSM vaker ‘lik-op-stuk’ gegeven kan worden, al stelt een officier van justitie ook dat ‘zaken weer vaker een langere termijn bestrijken’.1 Volgens sommige officieren is bij de afhandeling van zaken het afwegen van verschillende belangen en het maken van een toekomstplan voor de betreffende delinquent, door ZSM bemoeilijkt:
‘Het maatwerk valt een beetje dood door de hoeveelheid zaken. Het zijn vaak 100 zaken per dag die afgedaan worden. Dan lukt het niet alles betekenisvol af te doen. Maar het idee is wel om te kijken wat de context is en te kijken naar de beste uitkomst voor de maatschappij. Dat heb je niet zomaar geïntroduceerd (...). Op dit moment zijn we te veel bezig met het afdoen van zaken. Ik hoop dat we daar in de toekomst meer naar gaan kijken.’
Kritiek op opgelegde straffen wordt door officieren van justitie tijdens de interviews regelmatig ‘een persoonlijke opvatting’ genoemd. Persoonlijke verschillen in opvatting maken dat op diverse punten kritiek wordt geleverd. Sommigen noemen bijvoorbeeld dat ze de straffen voor drugsdelicten in het algemeen te hoog vinden, anderen noemen de straffen voor zedendelicten en mensenhandel nogal eens te laag. Een groter aantal officieren heeft echter net als veel politiemensen iets aan te merken op de wijze waarop in de strafrechtspraktijk met recidivisten, veelplegers en jeugdige delinquenten wordt omgegaan. Deze worden daarom in het navolgende apart besproken. Vanwege de overzichtelijkheid wordt daarbij in grote lijnen hetzelfde stramien gevolgd als in de paragraaf over straffen in hoofdstuk 4. Daarom ook hier als eerste de opvattingen van officieren van justitie over recidivisten en veelplegers (5.4.1). Vervolgens komen minderjarige en jeugdige delinquenten (5.4.2) en taakstraffen (5.4.3) aan bod. Tot slot wordt ingegaan op opvattingen van officieren van justitie over strafdoelen (5.4.4).