Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.10.2
2.10.2 Grievenstelsel
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS300993:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21, m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders (Willemsen/NOM), r.o. 4.2.1; HR 3 februari 2006, NJ 2006, 120 (Budé/Geju), r.o. 4.3; HR 28 maart 1997, NJ 1997, 452 (De Witte/ Jager), r.o. 3.3; HR 9 september 1994, NJ 1995, 6 (Gloudemans/De Winter), r.o. 3.2. Vgl. ook: Ras & Hammerstein 2004, p. 25-26 (nr. 16).
HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21, m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders (Willemsen/NOM), r.o. 4.2.4. Hiermee heeft de Hoge Raad een inconsistentie in de positie van de appellant ten opzichte van de geïntimeerde hersteld. Een verandering van het verweer tegen de eis in eerste aanleg werd al beschouwd als een grief en moest dus al in de memorie van antwoord zijn neergelegd (vgl. noot Snijders, sub. 5). Dat maakt de uitspraak echter niet onmiddellijk juist. Met deze uitspraak wordt een behoorlijke inperking gemaakt op artikel 130 Rv. Een verandering of vermeerdering van eis behoeft niet een grief tegen de uitspraak in eerste aanleg te betreffen, maar kan tevens een novum zijn. Immers, het staat de appellant vrij om in appel voor een andere insteek te kiezen. Komt dat nu pas later in de appelprocedure op, dan rest de appellant niets anders dan het opstarten van een nieuwe procedure. Vgl. hierover: Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 2009, p. 143 (nr. 162); Snijders & Wendels 2009, p. 154; Snijders (noot onder arrest), m.n. sub. 5 en 7.
Vgl. HR 24 april 1981, NJ 1981, 495, m.nt. W.H. Heemskerk (Jansen/Van der Meijden), r.o. 3.
HR 3 februari 2006, NJ 2006, 120 (Budé/Geju), r.o. 4.3. Een veeggrief is niet snel toelaatbaar: Snijders & Wendels 2009, p. 153. Hierover ook: Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 2009, p. 108-109 (nr. 118). Het lijkt voor geïntimeerde raadzaam niet (gemotiveerd) in te gaan op een veeggrief, teneinde te voorkomen dat een dergelijke grief doel zou treffen.
57
De definitie die de Hoge Raad van het begrip grief hanteert, is ‘iedere grond die een appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd.’1 Nieuwe feiten, stellingen en argumenten kwalificeren dus als grief. Ook een verandering of vermeerdering van de eis valt onder het begrip grief.2
Een grief mag niet te algemeen of te vaag zijn opgesteld. Om de geïntimeerde in staat te stellen zich op voldoende wijze te kunnen verweren tegen de grieven, moet immers wel duidelijk zijn waartegen dat verweer zich dient te richten.3 Concrete grieven – geplaatst in de context van het partijdebat – bieden de geïntimeerde houvast.4 Algemene veeggrieven, vaak bedoeld om onvoorziene aspecten alsnog in het debat in appel te betrekken, zijn slechts toegestaan als het voor de geïntimeerde voldoende duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren.5