Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/378
378 Vaststelling van de bezoldiging in afwijking van het bezoldigingsbeleid
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367859:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Rotterdam 30 maart 2011, JAR 2011/128 (De Vries/Econosto).
Zie r.o. 5.3.
Zie r.o. 5.2 t/m 5.4.
Abma e.a. 2017, p. 58 e.v.
De rechtbank oordeelde mijns inziens terecht dat de aandeelhouders de afvloeiingsregeling hadden bekrachtigd. Daarnaast kan ik mij tevens vinden in de overweging van de rechtbank dat in het onderhavige geval vanwege de instemming met de afvloeiingsregeling door de aandeelhouders een beroep op artikel 2:135 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Ook speelt naar mijn mening in onderhavige casus mee dat in het bezoldigingsbeleid was opgenomen dat er geen afvloeiingsregeling was getroffen, hetgeen doet vermoeden dat dit wel tot de mogelijkheden behoort. Er is dus ofwel geen sprake van handelen in afwijking van het beleid, dan wel sprake van bekrachtiging, dan wel sprake van dusdanige omstandigheden dat een beroep op de gevolgen van de nietigheid niet mag worden gehonoreerd.
Zie hierover randnummer 364.
Ten slotte kan het voorkomen, dat het bezoldigingsbeleid niet voorziet in een bepaalde regeling die vervolgens wel wordt overeengekomen tussen de raad van commissarissen en de bestuurder. De vraag rijst of buiten de grenzen van het bezoldigingsbeleid wordt getreden in het geval waarin een bepaalde regeling afwijkt van het bezoldigingsbeleid? Of is hiervan geen sprake wanneer in het bezoldigingsbeleid geen verbod tot het aangaan van een dergelijke regeling is opgenomen?
Zie ter illustratie De Vries/Econosto.1 In deze uitspraak beriep de ontslagen bestuurder zich op een afvloeiingsregeling die aan de bestuurder door de raad van commissarissen was toegezegd vanwege zijn vertrek binnen een jaar na een overname. De vergoeding betrof drie jaarsalarissen. Het bezoldigingsbeleid voorzag niet in enige regeling bij einde dienstverband. Onder het hoofdstuk ‘Afvloeiingsregeling’ was slechts bepaald dat met de raad van bestuur geen afvloeiingsregeling overeengekomen was. De rechtbank achtte verdedigbaar dat een bezoldigingsbesluit dat afwijkt van het bezoldigingsbeleid nietig is wegens strijd met de wet.2 De bezoldiging dient te blijven binnen de beleidskaders, aldus de rechtbank, onder verwijzing naar de wetgeschiedenis.3 Naar het oordeel van de rechtbank kon in de onderhavige situatie echter niet zonder meer worden gesteld dat de raad van commissarissen buiten het kader van het bezoldigingsbeleid van de algemene vergadering was getreden door de afvloeiingsregeling met de bestuurder te treffen. Immers, dat met de raad van bestuur geen afvloeiingsregeling was overeengekomen, betekent niet dat er in bijzondere omstandigheden geen mogelijkheid bestond alsnog een dergelijke regeling met een individuele bestuurder overeen te komen. Het bezoldigingsbeleid bevatte immers geen verbod. In casu speelde overigens ook een belangrijke rol, dat de bestuurder onweersproken had gesteld dat de aandeelhouders van Econosto de afvloeiingsregeling hadden bekrachtigd en dat ook Eriks, als toekomstig aandeelhouder, met de afvloeiingsregeling had ingestemd. De rechtbank overwoog dat de bedoeling van artikel 2:135 BW juist is om de positie van de algemene vergadering van aandeelhouders te versterken. Nu de aandeelhouders met de afvloeiingsregeling hebben ingestemd, was een beroep op artikel 2:135 BW in dat licht bezien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, zoals bedoeld in artikel 2:8 BW.4
De Econosto-uitspraak heeft aanleiding gegeven tot de gedachte dat afwijken van het bezoldigingsbeleid geoorloofd is bij het ontbreken van een uitdrukkelijk verbod.5 De algemene regel dat het ontbreken van een verbod in het bezoldigingsbeleid moet worden gezien als een impliciet instemmen van de algemene vergadering met de bevoegdheid tot het aangaan van een bepaalde bezoldigingsvorm waar het bezoldigingsbeleid verder over zwijgt, moet mijns inziens niet worden aanvaard.6 In art. 2:135 lid 1 BW is immers expliciet opgenomen dat het bezoldigingsbeleid ten minste de in art. 2:383c t/m e BW genoemde onderwerpen dient te bevatten. Reden voor het invoeren van dit vereiste is, dat voorkomen moest worden dat er anders ‘geruis’ zou ontstaan in bonusland. Iedere onduidelijkheid moest worden weggenomen over de vraag over welke bezoldigingsvormen in het bezoldigingsbeleid de algemene vergadering zich mocht uitlaten, zodat zou worden voorkomen dat de raad van commissarissen zichzelf een discretionaire ruimte zou verschaffen om regelingen overeen te komen waar het bezoldigingsbeleid niet op ziet.7
Wanneer een bepaald onderwerp niet wordt opgenomen in het bezoldigingsbeleid, dan hoeft dat dat mijns inziens niet per se te leiden tot de vaststelling dat het bezoldigingsbeleid niet voldoet aan de voorwaarde zoals opgenomen in art. 2:135 lid 1 BW en dus nietig is wegens strijd met de wet. Daarvoor is de eis dat ten minste alle in art. 2:383c t/m e BW genoemde onderwerpen in het bezoldigingsbeleid dienen te worden opgenomen, niet bedoeld. Dat wil echter niet zeggen dat het niet opnemen van bepaalde van deze onderwerpen, zonder consequenties kan blijven. Ik zou menen dat deze consequenties zich manifesteren doordat het bezoldigingsbeleid de reikwijdte beperkt van de toe te kennen bezoldigingsvormen. Zwijgt het bezoldigingsbeleid dus over het onderwerp ‘uitkeringen bij beëindiging dienstverband’ (art. 2:383c sub c BW), dan stelt de algemene vergadering daarmee vast dat een dergelijke vorm van bezoldiging niet mogelijk is. Daarbij is onder meer van belang dat het bezoldigingsbeleid steevast door de raad van commissarissen wordt opgesteld en ter vaststelling wordt voorgelegd aan de algemene vergadering. Als de raad van commissarissen dus de mogelijkheid wil hebben om bepaalde bezoldigingsvormen toe te kennen, dan dient hij deze mogelijkheid op te nemen in het ter vaststelling voorgelegde bezoldigingsbeleid zodat de algemene vergadering daar expliciet over kan beslissen. Daardoor wordt tevens voorkomen dat de raad van commissarissen een prikkel heeft om niet alle onderwerpen van art. 2:383c t/m e BW op te nemen in het bezoldigingsbeleid om zo zijn discretionaire bevoegdheid te verruimen.