Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/1.4.2
1.4.2 Codificatie in het Duitse recht; culpa in contrahendo
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS296968:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. F. Theisen 2006, p. 3102-3104.
BGH DStR 2001, par. 802 en OLG Stuttgart DB 1989, par. 1817. Zie voorts voor zaken die niet direct op rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen waren gebaseerd: BAG NJW 1963, p. 1843 (waarbij sprake was van een ontoereikende volmacht), BGH LM par. 276, nr. 4 (waarbij sprake was van een gemaakt voorbehoud), BGHZ 71, p. 397 e.v. (waarbij sprake was van een verkeerde voorstelling ter zake van de mogelijkheden om uitvoering te geven aan het onderwerp van de onderhandelingen) en BAG NJW 1975, p. 44 e.v. (waarin sprake was van een kennelijke ontbrekende wil om te contracteren). Vgl. verder Mertens 2004, p. 67 e.v.
HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467.
Vgl. BGH NJW 1963, 1843, NJW 1970, 1840, NJW 1975, 1774, en BAG NJW 1963, 1843.
Zie voor een meer omvattende omschrijving van § 311 BGB en verdere literatuurverwijzingen voor wat betreft de toepassing op afgebroken onderhandelingen Cauffman 2005, p. 210 e.v.
BGH WM 1995, 882.
Palandt-Heinrichs 2004, Rdn. 826.
Palandt-Heinrichs 2004, Rdn. 812.
Verder geldt dat, ook wanneer partijen nog geen wilsovereenstemming hebben bereikt, het hun toch niet onder alle omstandigheden ongeclausuleerd vrij staat om de onderhandelingen te beëindigen, namelijk in die gevallen waarin sprake is van culpa in contrahendo, hetgeen voor precontractuele verhoudingen sinds 1 januari 2002 in de Duitse wet verankerd ligt in § 311 lid 2 juncto 311a BGB. § 311 BGB luidt als volgt:
1. Zur Begrandung eines Schuldverhaltnisses durch Rechtsgeschaft sowie zur iknderung des Inhalts eines Schuldverhaltnisses ist ein Vertrag zwischen den Beteiligten erforderlich, soweit nicht das Gesetz ein anderes vorschreibt.
2. Ein Schuldverhaltnis mit Pflichten nach par. 241 Abs. 2 entsteht auch durch
die Aufnalune von Vertragsverhandlungen,
die Anbahnung eines Vertrags, bei welcher der eine Teil im Hinblick auf eine etwaige rechtsgeschaftliche Beziehung dem anderen Teil die Maglichkeit zur Einwirkung auf seine Rechte, Rechtsgater und Interessen gewahrt oder ihm diese anvertraut, oder
ahnliche geschafdiche Kontakte.
3. Ein Schuldverhallnis mit Pflichten nach par 241 Abs. 2 kaan auch zu Personen entstehen, die nicht selbst Vertragspartei werden sollen. Ein solches Schuldverhaltnis entsteht insbesondere, wenn der Dritte in besonderem MaBe Vertrauen fdr sich in Anspruch nimmt und dadurch die Vertragsverhandlungen oder den Vertragsschluss erheblich beeinflusst.
Lid 2 van het artikel ziet (mede) op aansprakelijkheid die ontstaat in de periode die vooraf gaat aan de totstandkoming van een overeenkomst.1 Toegepast op de casus van afgebroken onderhandelingen betekent dit dat indien, zonder dat daar een naar objectieve maatstaven vast te stellen rechtens te respecteren belang aan ten grondslag ligt, de onderhandelingen worden beëindigd terwijl de onderhandelingspartner in de (geobjectiveerde) veronderstelling verkeerde dat bij de wederpartij de wil bestond om te contracteren en hij — kort gezegd — in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat die wil ook aan de zijde van de afbrekende partij aanwezig was, de afbrekende partij in beginsel schadeplichtig is.2 Zulks met dien verstande dat in voorkomend geval — anders dan in het Nederlandse recht — uitsluitend het negatief contractsbelang voor vergoeding in aanmerking komt. Dit lijkt dus een zwaardere toets te impliceren dan vereist is naar Nederlands recht, waar immers, zoals in hfdst. 3 wordt uitgewerkt, het vertrouwen in de totstandkoming van enigerlei contract (in plaats van vertrouwen in de totstandkoming van de overeenkomst waarover in concreto werd onderhandeld) in beginsel al voldoende is om beschermd te worden, zij het dat aan het aannemen van voormeld rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen in het Nederlandse recht sinds het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2005 (JPO/CBB)3 wel hogere eisen worden gesteld.4
De ratio waarom ervoor gekozen is om culpa in contrahendo ook voor precontractuele verhoudingen te codificeren in § 311 lid 2 BGB is met name gelegen in het enge Duitse onrechtmatigedaadsbegrip (§ 823 BGB beperkt vorderingen die zijn gebaseerd op een onrechtmatige daad ("unerlaubte Handlung") in beginsel tot inbreuken op een absoluut recht zoals bijvoorbeeld eigendom.5 Op zichzelf zou ook § 826 BGB nog een rechtsgrond kunnen zijn, maar deze bepaling, die een recht op schadevergoeding toekent in geval van — kort gezegd — het opzettelijk toebrengen van schade, brengt een in de praktijk bijzonder lastige bewijslast met zich; niet alleen zal opzettelijk handelen moeten worden bewezen ter zake van de toegebrachte schade,6 maar bovendien bewustheid van de overtreden norm.7 Ongerechtvaardigde verrijking, hoewel dit begrip ook in het Duitse recht bekend is, zal slechts in zeer bijzondere gevallen een grondslag voor schadevergoeding kunnen bieden, daar doorgaans het element van de verrijking bij een vordering wegens afgebroken onderhandelingen zal ontbreken.8