Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/4.3.2.1
4.3.2.1 ‘Alle’ verlangde inlichtingen
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971883:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. P. van Schilfgaarde (ASMI), r.o. 4.6: “Iedere aandeelhouder heeft voorts ter vergadering zelfstandig het recht vragen te stellen – ongeacht of deze betrekking hebben op punten die op de agenda zijn vermeld – en de vennootschap dient die vragen te beantwoorden (…).” (onderstr. PH). Zie in gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 6 onder b; Van der Korst (diss.) 2007, p. 170; Vletter-van Dort (diss.) 2001, p. 67. Anders: Schwarz, Rechtspersonen (losbl.), artikel 2:107, aant. 5.
Vgl. Van den Ingh & Nowak 2003, onder 3.
Vgl. bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 26 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2754 (Mega Windforce), r.o. 3.5, waar het de vennootschapsleiding werd verweten dat concrete vragen van aandeelhouders “niet althans ontwijkend werden beantwoord en omfloerst over de gang van zaken werd gesproken.”; en vergelijkbaar Hof Amsterdam (OK) 22 maart 2022, JOR 2022/174 m.nt. W.M. Smelt (Wamberg), r.o. 3.10.
Deze keuze is dus niet aan de aandeelhouder van wie de vraag afkomstig is. Vgl. in het kader van het Duitse Auskunftsrecht Decher 2018, nr. 64: “Ein Aktionär kann nicht verlangen dass ihm die Auskunft durch eine von ihm bestimmtes Vorstandsmitglied erteilt wird.”
Aldus ook Decher 2018, nr. 65, in het kader van het Duitse Auskunftsrecht. Terzijde wijs ik op artikel 2:117 lid 5 BW, waarin voor de NV is bepaald dat de betrokken controlerend accountant bevoegd is de algemene vergadering die besluit over de vaststelling van de jaarrekening bij te wonen en daarin het woord te voeren. De controlerend accountant is onafhankelijk en woont de algemene vergadering niet bij als adviseur van de vennootschap of de vennootschapsleiding. De accountant verstrekt ter vergadering in beginsel slechts informatie over de controlewerkzaamheden (zie Kamerstukken II 2003/2004, 29 737, nr. 3 (MvT), p. 16-17), al dan niet naar aanleiding van vragen van individuele aandeelhouders. Dit moet evenwel los worden gezien van de verantwoordingsplicht van de vennootschapsleiding (vgl. Kamerstukken II 2003/2004, 29 737, nr. 3 (MvT), p. 17; en NBA Handreiking 1118, ‘Het optreden van de externe accountant in de algemene vergadering bij beursgenoteerde vennootschappen’). Het is aan de vennootschapsleiding om vragen te beantwoorden over zaken als de inhoud van de jaarrekening en de kwaliteit van het stelsel van interne controlesystemen.
Zie Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261 m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel) r.o. 3.11. Zie ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 139.
Zie HR 13 juli 2007, NJ 2007/434 m.nt. J.M.M. Maeijer (ABN Amro), r.o. 4.4; en HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. P. van Schilfgaarde (ASMI), r.o. 4.11. Vgl. echter Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I).
Artikel 2:107/217 lid 2 BW schrijft voor dat alle verlangde inlichtingen worden verschaft. Aandeelhouders kunnen in beginsel naar eigen inzicht en behoefte vragen stellen. De reikwijdte van dit artikel is – anders dan zijn Europese tegenhanger – dus uitdrukkelijk niet beperkt tot informatie omtrent de agendapunten.1 Van de vennootschapsleiding mag worden verwacht dat zij zich redelijk voorbereidt op vragen van aandeelhouders. De individuele functionarissen dienen derhalve over voldoende parate kennis te beschikken om redelijke en ter zake doende vragen te kunnen beantwoorden. Dat geldt niet alleen voor de onderwerpen die door de vennootschapsleiding zijn geagendeerd, maar ook indien de vraag buiten het bestek van de agenda valt. Hierin uit zich mede de verantwoordingsfunctie van het recht op inlichtingen; de vennootschapsleiding kan niet aan haar verantwoordingsplicht ontkomen door bepaalde onderwerpen simpelweg niet te agenderen.2 Bij de beantwoording van vragen dienen functionarissen zich open op te stellen en zo concreet mogelijk antwoord geven.3
Uit de wet volgt niet welke specifieke functionaris een vraag dient te beantwoorden. Ik meen dat het uiteindelijk aan de vennootschapsleiding, en eventueel de voorzitter is, om te bepalen wie welke vragen beantwoordt.4 Het ligt voor de hand om daarbij aan te sluiten bij de specifieke expertise van de betrokken functionarissen en hun eventuele onderlinge taakverdeling. Zo zullen vragen over de financiën vooral bij de CFO terecht komen, terwijl de CEO veelal beter op de hoogte zal zijn van operationele aangelegenheden. Het staat de vennootschapsleiding naar mijn mening vrij om zich bij de beantwoording van vragen te laten bijstaan door deskundige adviseurs.5
De redelijkheid en billijkheid speelt een rol bij het bepalen van de reikwijdte van het begrip ‘alle inlichtingen’. De beoogde functie van het recht op inlichtingen kan daardoor een rol spelen bij het bepalen van de reikwijdte van dat recht. Ik geef een voorbeeld. Voor zover de vennootschapsleiding ter verantwoording wordt geroepen, ligt het voor de hand dat de te verstrekken inlichtingen zien op het gevoerde beleid; dit betreft dus in beginsel historische informatie. Verantwoording ziet immers hoofdzakelijk op het reeds gevoerde beleid en wordt dus in beginsel achteraf afgelegd.6 Het komt mij dan ook voor dat de vennootschapsleiding zich terughoudender mag opstellen bij de verstrekking van toekomstgerichte – ‘forward looking’ – inlichtingen, bijvoorbeeld bij beantwoording van vragen over verwachtingen en voornemens voor de onderneming. Niet alleen zal dergelijke informatie veelal bedrijfs- of concurrentiegevoeliger zijn dan historische gegevens, ook sluit dit aan bij het principe dat de vennootschapsleiding in beginsel niet is gehouden de algemene vergadering vooraf te consulteren of in haar besluitvorming te betrekken.7