De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/3.7.2:3.7.2 Het Europese kader
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/3.7.2
3.7.2 Het Europese kader
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS384855:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wanneer sprake is van een overgang van onderneming laat ik hier buiten beschouwing. Ik verwijs daarvoor naar: R.M. Beltzer, Overgang van onderneming in de private en publieke sector, Deventer: Kluwer 2008.
Hof van Justitie EU 29 juli 2010, NJ 2010,620, JAR 2010/217, ROR 2010/19, RO 2010/64, RAR 2010/147.
Zie hierover meer in: I. Zaal, ‘Medezeggenschap na overgang van onderneming: behoud van eenheid is geen synoniem van behoud van identiteit. Hof van Justitie EG 29 juli 2010, C-151/09 (UGT-FSP), ArA 2010-3.
Zie conclusie A-G Sharpston van 6 mei 2010 C-151/09.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien er sprake is van een overgang van onderneming, wordt de vraag of medezeggenschap behouden blijft, beantwoord aan de hand van art. 6 van de Richtlijn.1 Dit artikel bepaalt dat, wanneer de onderneming, een onderdeel van de onderneming, of een vestiging als eenheid blijft bestaan, de functie van de vertegenwoordigers of vertegenwoordiging van de bij overgang betrokken werknemers behouden blijft onder dezelfde voorwaarden als krachtens de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of een overeenkomst die voor het tijdstip van overgang reeds bestond, mits aan de voorwaarden van een werknemersvertegenwoordiging is voldaan. Wanneer de onderneming, het onderdeel of de vestiging niet als eenheid blijft bestaan, moeten de lidstaten maatregelen nemen. Deze moeten ervoor zorgen dat de werknemers die overgaan naar behoren worden vertegenwoordigd totdat een nieuwe vertegenwoordiging is gekozen.
Als de onderneming als eenheid blijft bestaan, zullen de werknemersvertegenwoordigers of het orgaan dat hen vertegenwoordigt hun taak blijven uitoefenen na de overgang. Als de onderneming niet als eenheid blijft bestaan, gebeurt dit niet. Lidstaten moeten dan wel voorzien in tijdelijke maatregelen totdat een nieuwe vertegenwoordiging is gekozen. Met dit artikel wordt enerzijds recht gedaan aan de wens de medezeggenschap aan te passen aan de wijziging van de organisatiestructuur. Anderzijds beschermt het artikel het belang van werknemers bij een werknemersvertegenwoordiging die zij zelf hebben gekozen.
De reikwijdte van art. 6 was tot voor kort niet helder. Zo was het niet helemaal duidelijk wat wordt verstaan onder ‘als eenheid blijft bestaan’ en ook de bepaling ‘dat werknemers vertegenwoordigd blijven’ leidde tot vragen. In 2010 heeft het Hof van Justitie over beide aspecten helderheid verschaft.2 Over de invulling van het begrip ‘als eenheid blijft bestaan’ kiest het Hof van Justitie voor een communautaire en autonome benadering, nu art. 6 niet verwijst naar nationaal recht. Bovendien kan naar het oordeel van het Hof van Justitie niet aangesloten worden bij het begrip identiteitsbehoud in het kader van art. 3 van de Richtlijn.3
Er moet worden gekeken naar het beschermende doel van de Richtlijn waaronder volgens het Hof van Justitie ook het voorkomen van verlies van medezeggenschap valt. Het Hof van Justitie kiest bij de invulling van het begrip ‘als eenheid’ uiteindelijk voor een tekstuele interpretatie ingegeven door wat er in de omgangstaal onder wordt verstaan, die als volgt luidt: ‘de bevoegdheid om zich zelfstandig te organiseren’. Dit houdt volgens het Hof van Justitie het volgende in:
[D]e bevoegdheid van haar verantwoordelijken om op relatief vrije en onafhankelijke manier het werk binnen de entiteit te organiseren ter voortzetting van haar eigen economische activiteit en meer in het bijzonder de bevoegdheid om bevelen en opdrachten te geven, om de taken te verdelen tussen de ondergeschikten binnen de betrokken entiteit en om te beslissen over de aanwending van de te harer beschikking staande materiële activa, dit alles zonder rechtstreekse tussenkomst van andere organisatiestructuren van de werkgever (hierna: “organisatorische bevoegdheden”).
Ik leid hieruit af dat voor de invulling van het begrip vooral moet worden gekeken naar de interne organisatiestructuur van de eenheid. De advocaat-generaal noemt een aantal elementen die van belang kunnen zijn. Het gaat om de continuïteit van de door de overgegane werknemers verrichte functies en diensten, de mate waarin de overgegane werknemers een afzonderlijke bedrijfseenheid blijven vormen, de mate waarin de hoogste verantwoordelijken van de werknemers nog dezelfde zijn, de mate waarin de groep werknemers door wie de betrokken vertegenwoordigers gekozen ongewijzigd is gebleven en de mate waarin de overgegane entiteit door een substantiële herstructurering van de verkrijger na de overgang haar organisatorische onafhankelijkheid heeft verloren.4 De wijze waarop de verkrijger en vervreemder hun medezeggenschapsstructuur hebben ingericht, zal mijns inziens ook van belang zijn.