Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/153
153 Een concurrerend bezoldigingspakket
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369057:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
De vennootschap maakt gebruik van twee referentiegroepen. De eerste referentiegroep wordt gebruikt voor het bepalen van de bezoldiging. De tweede referentiegroep, waarin vaak andere referenten opgenomen zijn, wordt gebruikt voor het bepalen van de relatieve prestatie van de onderneming ten opzichte van deze referenten. Jaarlijks worden deze referentiegroepen geëvalueerd, verdwijnen er referenten en worden er nieuwe referenten in de referentiegroep opgenomen. In dit hoofdstuk heb ik het over de eerste referentiegroep.
Ter vergelijking: dit aantal schommelt in de VS tussen de 15 en 40 ondernemingen.
Uit onderzoek van de RUG en TowersPerrin blijkt dat in Nederland gemiddeld 27% van de ondernemingen die opgenomen worden van een andere sector zijn (‘cross sector’), 46% sector specifiek zijn en in 27% van de gevallen er sprake is van een combinatie van beide, zie Van Ees e.a. 2007, p. 52.
Het percentage ligt hoger dan 90%: Van Ees e.a. 2007, p. 52.
Elson & Ferrere 2012, p. 9.
De 50ste percentiel wordt ook wel de mediaan genoemd. De mediaan is het midden (en niet het gemiddelde) van een overzicht. 50% van de ondernemingen bezoldigt haar bestuurder op of onder de mediaan. Het komt ook vaak voor dat het overzicht opgedeeld wordt in kwartielen.
Steeds vaker wordt er ook gekeken naar andere factoren zoals het verschil tussen de bezoldiging van de bestuurder en de gemiddelde werknemer. Zie in dit kader hoofdstuk 24.
Met name de ‘outrage constraint’ speelt daarbij een belangrijke rol. De remuneratiecommissie houdt bij het bepalen van de ex ante hoogte rekening of deze verdedigbaar is in de richting van andere stakeholders onder meer om reputatieschade (van de onderneming en persoonlijk) te vermijden.
Van Ees e.a. 2007, p. 52.
Elson & Ferrere 2012, p. 10.
De remuneratiecommissie wordt in de regel bijgestaan door één of meer beloningsconsultants bij het vaststellen van de bezoldiging van een nieuwe of zittende bestuurder. Door de remuneratiecommissie wordt aan deze beloningsconsultants gevraagd te helpen met het opstellen van een bezoldigingspakket dat concurrerend is in relatie tot de markt voor bestuurders. Wat wordt er betaald voor een bestuurder bij vergelijkbare ondernemingen?
Om aan deze eis te kunnen voldoen, stellen de consultants allereerst een referentiegroep – ook wel ‘peergroup’ of ‘benchmark’ – vast waarin ondernemingen worden opgenomen die op basis van verschillende (en wisselende) criteria, zoals omvang of omzet als ‘gelijk’ beschouwd kunnen worden.1 De referentiegroep van een Nederlandse beursvennootschap bestaat veelal uit 15 tot 25 ondernemingen.2
Bij het vaststellen van de referentiegroep wordt niet alleen gekeken naar ondernemingen die in dezelfde industrie opereren, maar ook naar ondernemingen die geen directe concurrenten van de onderneming in kwestie zijn.3 Nederlandse beursvennootschappen kijken daarbij voornamelijk naar internationale referenten.4
Bij het vaststellen van de referentiegroep wordt tevens in veel gevallen de input van de raad van bestuur zelf gevraagd.5
Nadat bepaald is welke referenten er opgenomen worden in de referentiegroep, wordt er door de beloningsconsultants een overzicht gemaakt van de bezoldigingsniveaus van deze referenten. Het bezoldigingsoverzicht wordt ingedeeld in verschillende percentielen, zoals de 50ste (ook wel de mediaan genoemd), de 75ste en de 90ste percentiel.6 Het is vervolgens aan de remuneratiecommissie te kiezen op welk van deze percentielen de hoogte van de ex ante bezoldiging van het gehele bezoldigingspakket moet uitkomen. Daarbij komt het zelden tot nooit voor dat een onderneming onder de 50ste percentiel – de mediaan – gaat zitten.
Als de referentiegroep en het gekozen percentiel vaststaan, gaat de remuneratiecommissie in beraad waarbij andere relevante factoren worden afgewogen, zoals de interne beloningsstructuur van een onderneming en het politieke en maatschappelijke klimaat dat er op dat moment heerst. Wat de interne beloningsstructuur betreft wordt er allereerst gekeken naar verschillen in de bezoldiging van bestuurders onderling en vervolgens naar het verschil tussen de bestuurders en de laag (of lagen) onder de raad van bestuur.7 Het politieke en sociale klimaat kan ervoor zorgen dat bijvoorbeeld ten tijde van crises meer terughoudendheid wordt betracht.8
Hoewel de interne verhoudingen weliswaar in overweging worden genomen, zijn ze niet van doorslaggevende betekenis voor het niveau van de bezoldiging van bestuurders.9 Het ex ante bezoldigingsniveau wordt bij grote beursgenoteerde ondernemingen in de praktijk dus hoofdzakelijk vastgesteld op basis van de externe referentiegroep.
Nadat het bezoldigingsniveau is bepaald, wordt de structuur van de bezoldiging samengesteld. Als een eerste opzet van het bezoldigingspakket ten slotte is vormgegeven, gaat de remuneratiecommissie de onderhandelingen aan met de bestuurder. Nadat de bestuurder en de remuneratiecommissie tot een akkoord zijn gekomen over de samenstelling en ex ante hoogte van het bezoldigingspakket, dient het bezoldigingspakket in de regel nog officieel vastgesteld te worden door de gehele raad van commissarissen.10