Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/2.3.2
2.3.2 Directe horizontale werking
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931103:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer HvJEG 30 januari 1974, C-127/73, ECLI:EU:C:1974:6, Jur. 1974, p. 00051 (BRT en Sabam I), r.o. 16; HvJEG 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465, Jur. 2001, p. I-06297; NJ 2002/43 (Courage/Crehan), r.o. 23-24; en HvJEU 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04 t/m 298/04, ECLI:EU:C:2006:461, Jur. 2006, p. I-06619; NJ 2007/34, m.nt. M.R. Mok (Manfredi), r.o. 39 en 58-59; HvJEU 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684, NJ 2013/168, m.nt. M.R. Mok (Otis), r.o. 40-44; HvJEU 6 juni 2013, C-536/11, ECLI:EU:C:2013:366, NJ 2013/537, m.nt. M.R. Mok (Donau Chemie), r.o. 21; HvJEU 5 juni 2014, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317, NJ 2014/424, m.nt. M.R. Mok (Kone), r.o. 20; en HvJEU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58, m.nt. J.S. Kortmann; JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk (Skanska), r.o. 24; en HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 32. Zie voorts onder meer Barents & Brinkhorst 2012/95; Van Leuken 2014/2; Van Leuken 2015/15 en 20-32; Ligteringen 2016/182; Lenaerts & Van Nuffel 2023/327 en 713; en Asser/Hartkamp 3-I 2023/12-15.
HvJEG 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465, Jur. 2001, p. I-06297; NJ 2002/43 (Courage/Crehan), r.o. 23; HvJEU 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04 t/m 298/04, ECLI:EU:C:2006:461, Jur. 2006, p. I-06619; NJ 2007/34, m.nt. M.R. Mok (Manfredi), r.o. 39. Zie reeds HvJEG 30 april 1974, C-155/73, ECLI:EU:C:1974:40, Jur. 1974, p. 409 e.v. (Sacchi), r.o. 18.
Zie daarover in het bijzonder Hoofdstuk 3, par. 3.2.4.
Het gaat dan om het verbod op discriminatie wegens nationaliteit (art. 18 lid 1 VwEU), zie HvJEG 12 december 1974, C-36/74, ECLI:EU:C:1974:140, Jur. 1974, p. 01405; NJ 1975/148 (Walrave en Koch), r.o. 16-19; HvJEG 3 oktober 2000, C-411/98, ECLI:EU:C:2000:530, Jur. 2000, p. I-08081 (Ferlini), r.o. 50 en 63. Daarnaast komt ook aan de regel inzake gelijke beloning van mannen en vrouwen (art. 157 lid 1 VwEU) directe horizontale werking toe, zie HvJEG 8 april 1976, C-43/75, ECLI:EU:C:1976:56, Jur. 1976, p. 00455; NJ 1976/510 (Defrenne II), met name r.o. 24, 31 en 39; en HvJEG 6 juni 2000, C-281/98, ECLI:EU:C:2000:296, Jur. 2000, p. I-04139; NJ 2000/710 (Angonese), r.o. 35. Naar het zich laat aanzien, komt aan art. 19 VwEU (inzake discriminatie wegens geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid) géén directe horizontale werking toe. Zie hierover De Mol 2014a, p. 283-306 (hoofdstuk 10); De Mol 2014b, p. 229-235 (die wel uitgaat van directe horizontale werking, maar daarmee doelt op wat ik ‘indirecte horizontale werking’ noem); Sieburgh 2017b, p. 233; en Asser/Hartkamp 3-I 2023/53-55. Het is de vraag of hierover na het arrest Cresco anders moet worden gedacht..
Zie voor het vrij verkeer van personen (art. 45 (werknemers) en 49 VwEU (vestiging)) en het vrij verkeer van diensten (art. 56 VwEU) de arresten HvJEG 12 december 1974, C-36/74, ECLI:EU:C:1974:140, Jur. 1974, p. 01405; NJ 1975/148 (Walrave en Koch), r.o. 15-25; HvJEG 15 december 1995, C-415/93, ECLI:EU:C:1995:463, Jur. 1995, p. I-04921; NJ 1996/637 (Bosman), r.o. 82 e.v.; HvJEG 6 juni 2000, C-281/98, ECLI:EU:C:2000:296, Jur. 2000, p. I-04139; NJ 2000/710 (Angonese), r.o. 29-36; HvJEU 11 december 2007, C-43/05, ECLI:EU:C:2007:772, Jur. 2007, p. I-10779; NJ 2008/149, m.nt. M.R. Mok (Viking), r.o. 58-61; en HvJEU 17 juli 2008, C-94/07, ECLI:EU:C:2008:425, Jur. 2008, p. I-05939; NJ 2009/147 (Raccanelli), r.o. 49-52. Zie voor het vrij verkeer van goederen (art. 34 (import) en 35 VwEU (export)) voorzichtig HvJEU 12 juli 2012, C-171/11, ECLI:EU:C:2012:453, NJ 2012/580 (Fra.bo), r.o. 21-32.Directe horizontale werking van het vrij verkeer van kapitaal (art. 63 VwEU) wordt in de literatuur wel bepleit, maar is tot op heden niet aanvaard door het Hof van Justitie. Zie hierover uitgebreid Van Leuken 2015/121 e.v..
HvJEG 11 juli 1996, C-39/94, ECLI:EU:C:1996:285, Jur. 1996, p. I-03547; NJ 1997/354 (Syndicat français de l’Express international (SFEI)), r.o. 72-74. Zie echter ook r.o. 75, waaruit volgt dat dit niet uitsluit dat naar nationaal recht aansprakelijkheid bestaat.
Zie HvJEG 11 december 1973, C-120/73, ECLI:EU:C:1973:152, Jur. 1973, p. 01471 (Lorenz), r.o. 8; HvJEG 21 november 1991, C-354/90, ECLI:EU:C:1991:440, Jur. 1991, p. 5505 e.v. (Fédération Nationale du Commerce Extérieur (FNCE)), r.o. 11; en HvJEG 11 juli 1996, C-39/94, ECLI:EU:C:1996:285, Jur. 1996, p. I-03547; NJ 1997/354 (Syndicat français de l’Express international (SFEI)), r.o. 39.
Zie voor non-discriminatie (art. 21 lid 1 EU-Handvest) HvJEU 15 januari 2014, C-176/12, ECLI:EU:C:2014:2, NJ 2014/246, m.nt. M.R. Mok (Association de médiation sociale (AMS)), r.o. 47, en HvJEU 17 april 2018, C-414/16, ECLI:EU:C:2018:257 (Egenberger), r.o. 75-79; en HvJEU 22 januari 2019, C-193/17, ECLI:EU:C:2019:43, NJ 2019/360, m.nt. A.H.W. Meij (Cresco). Zie in dezelfde zin Eleveld 2019; Emaus 2019, p. 253-254; Hartkamp 2019, p. 223-224; en Sieburgh & Van de Moosdijk 2019. Vgl. voorts De Mol 2019, p. 375 e.v., die spreekt van ‘horizontale directe werking’. Anders: Aronstein 2019/19, die meent dat het Hof van Justitie slechts indirecte horizontale werking heeft aanvaard. Zie voor recht op doorbetaling van loon bij vakantie (art. 31 lid 1 EU-Handvest) HvJEU 6 november 2018, gevoegde zaken C-569/16 en 570/16, ECLI:EU:C:2018:871, NJ 2019/45, m.nt. A.W.H. Meij (Bauer en Broßonn), r.o. 90. Geen directe horizontale werking werd aangenomen van het informatierecht van werknemers (art. 27 EU-Handvest), zie HvJEU 15 januari 2014, C-176/12, ECLI:EU:C:2014:2, NJ 2014/246, m.nt. M.R. Mok (Association de médiation sociale (AMS)), r.o. 41-45..
Hartkamp 2019, p. 223; De Mol 2019, p. 377; Stein 2019a, p. 223-224.
Zie uitgebreid over algemene beginselen van Unierecht Tridimas 2006, Bernitz, Groussot & Schulyok (red.) 2013 en Reich 2014.
Zie bijv. Devroe & Van Cleynenbreugel 2014/8 e.v.; Sieburgh 2015, p. 3-13; Hartkamp, Sieburgh & Devroe (red.) 2017, p. 279-348 (Hoofdstuk 5); en Asser/Hartkamp 3-I 2023/12 en 147-151.
Zie bijv. HvJEU 22 november 2005, C-144/04, ECLI:EU:C:2005:709, Jur. 2005, p. I-09981; NJ 2006/227, m.nt. M.R. Mok (Mangold) en HvJEU 19 januari 2010, C-555/07, ECLI:EU:C:2010:21, Jur. 2010, p. I-00365; NJ 2010/256, m.nt. M.R. Mok (Kücükdeveci).
Het gaat dan om onder meer het beginsel van non-discriminatie wegens leeftijd (zie HvJEU 22 november 2005, C-144/04, ECLI:EU:C:2005:709, Jur. 2005, p. I-09981; NJ 2006/227, m.nt. M.R. Mok (Mangold), r.o. 75-77, en HvJEU 19 januari 2010, C-555/07, ECLI:EU:C:2010:21, Jur. 2010, p. I-00365; NJ 2010/256, m.nt. M.R. Mok (Kücükdeveci), r.o. 20-21 en 50-51; HvJEU 19 april 2016, C-441/14, ECLI:EU:C:2016:278 (Dansk Industri), r.o. 26-27) en nationaliteit (HvJEU 27 oktober 2009, C-115/08, ECLI:EU:C:2009:660, Jur. 2009, p. I-10265 (ČEZ), r.o. 91. In dit geval is de al dan niet directe horizontale werking van het algemene beginsel overigens praktisch van minder belang, omdat in een horizontale rechtsverhouding dan rechtstreeks toetsing kan plaatsvinden aan de desbetreffende wetsbepaling uit het EU-Handvest.
Zie hierna, nr. 27.
Zie HvJEG 7 februari 1973, C-39/72, ECLI:EU:C:1973:13, Jur. 1973, p. 00101 (Commissie/Italië), r.o. 17, en HvJEG 10 oktober 1973, C-34/73, ECLI:EU:C:1973:101, Jur. 1973, p. 00981 (Fratelli Variola/Amministrazione italiana delle Finanze), r.o. 11.
HvJEG 17 september 2002, C-253/00, ECLI:EU:C:2002:497, Jur. 2002, p. I-07289; NJ 2003/702, m.nt. M.R. Mok (Muñoz).
Het ging om Verordening (EEG) nr. 1035/72 en Verordening (EG) nr. 2200/96 (beide inmiddels niet meer van kracht).
HvJEG 17 september 2002, C-253/00, ECLI:EU:C:2002:497, Jur. 2002, p. I-07289; NJ 2003/702, m.nt. M.R. Mok (Muñoz), r.o. 27.
HvJEG 17 september 2002, C-253/00, ECLI:EU:C:2002:497, Jur. 2002, p. I-07289; NJ 2003/702, m.nt. M.R. Mok (Muñoz), r.o. 30.
Zie hiervoor, nr. 21-22.
HvJEG 17 september 2002, C-253/00, ECLI:EU:C:2002:497, Jur. 2002, p. I-07289; NJ 2003/702, m.nt. M.R. Mok (Muñoz), r.o. 30, en HvJEU 20 mei 2003, C-108/01, ECLI:EU:C:2003:296, Jur. 2003, p. I-05121; NJ 2004/96, m.nt. M.R. Mok (Consorzio del Prosciutto di Parma), r.o. 87-88. Zie voorts Craig & De Búrca 2020, p. 233-235; Asser/Hartkamp 3-I 2023/194-196.
HvJEG 26 februari 1986, C-152/84, ECLI:EU:C:1986:84, Jur. 1986, p. 723 (Marshall I), r.o. 48-51; HvJEG 14 juli 1994, C-91/92, ECLI:EU:C:1994:292, Jur. 1994, p. I-3325 e.v.; NJ 1995/321 (Faccini Dori), r.o. 20-25; HvJEU 5 oktober 2004, gevoegde zaken C-397/01 t/m C-403/01, ECLI:EU:C:2004:584, Jur. 2004, p. I-08835; NJ 2005/333, m.nt. M.R. Mok (Pfeiffer), r.o. 108-109; HvJEU 24 januari 2012, C-282/10, ECLI:EU:C:2012:33, NJ 2012/154, m.nt. M.R. Mok (Dominguez), r.o. 42; HvJEU 7 augustus 2018, C-122/17, ECLI:EU:C:2018:631 (Smith), r.o. 42-43; HvJEU 6 november 2018, gevoegde zaken C-569/16 en 570/16, ECLI:EU:C:2018:871, NJ 2019/45, m.nt. A.W.H. Meij (Bauer en Broßonn), r.o. 76-77; en HvJEU 6 november 2018, C-684/16, ECLI:EU:C:2018:874 (Max-Planck-Gesellschaft/Shimizu), r.o. 66-68. Zie voorts Prechal 2005, p. 255-261; De Witte 2021, p. 335-336; Craig & De Búrca 2020, p. 235-240; Lenaerts & Van Nuffel 2023/781; en Asser/Hartkamp 3-I 2023/156-157.
Zie Prechal 2005, p. 16-39.
Zie voor argumenten vóór directe horizontale werking van richtlijnen Tridimas 1994; Craig 1997; Prechal 2005, p. 255-260; en Craig 2009.
HvJEG 4 december 1974, C-41/74, ECLI:EU:C:1974:133, Jur. 1974, p. 1337 e.v. (Van Duyn), r.o. 12; HvJEG 5 april 1979, C-148/78, ECLI:EU:C:1979:110, Jur. 1979, p. 1629 e.v. (Ratti), r.o. 43-44; HvJEG 19 januari 1982, C-8/81, ECLI:EU:C:1982:7, Jur. 1982, p. 53 e.v. (Becker), r.o. 23-25; HvJEG 26 februari 1986, C-152/84, ECLI:EU:C:1986:84, Jur. 1986, p. 723 (Marshall I), r.o. 43; HvJEU 7 januari 2004, C-201/02, ECLI:EU:C:2004:12, Jur. 2004, p. I-00732 (Wells), r.o. 56. Zie hierover Prechal 2005, p. 241-253.
Zie hiervoor, nr. 23.
Zie bijvoorbeeld Prechal 2005, p. 255 en 260-261, en Asser/Hartkamp 3-I 2023/13.
Dit doet denken aan het beginsel dat degene die zich beroept op zijn eigen onbetamelijkheid, in rechte geen gehoor vindt (‘nemo auditur suam turpitudinem allegans’), zie Van Loock, Samoy & Pisuliński 2017, p. 352.
HvJEG 8 oktober 1987, C-80/86, ECLI:EU:C:1987:431, Jur. 1987, p. 03969; NJ 1988/1029 (Kolpinghuis), r.o. 8-10.
Zie HvJEG 19 november 1991, gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90, ECLI:EU:C:1991:428, Jur. 1991, p. I-05357; NJ 1994/2 (Francovich) en opvolgende rechtspraak. Zie voorts Prechal 2005, p. 271-304; Prechal 2006; Meijer 2007; Craig 2009, p. 375-376; Craig & De Búrca 2020, p. 259 en 262-301; en Lenaerts & Van Nuffel 2023/699-704.
25. Directe horizontale werking van primair Unierecht. Het Hof van Justitie heeft directe horizontale werking aanvaard voor sommige verdragsbepalingen, waarvan voor dit onderzoek vooral de bepalingen van belang zijn waarin het verhinderen, beperken en/of vervalsen van de mededinging worden verboden (het ‘kartelverbod’, art. 101 VwEU),1 en die waarin het misbruiken van een economische machtspositie wordt verboden (art. 102 VwEU)2. Beide verboden richten zich tot ondernemingen, en zijn gezien hun inhoud en strekking onmiddellijk inroepbaar voor de nationale rechter in een geschil tussen particulieren. Zij hebben, met andere woorden, directe horizontale werking. Deze bepalingen zijn voor dit onderzoek van belang, omdat zij het fundament vormen voor de soms hoofdelijke aansprakelijkheid wegens schending van mededingingsrecht.3
Het Hof van Justitie heeft daarnaast ook van enkele andere verdragsbepalingen directe horizontale werking aanvaard, zoals non-discriminatiebepalingen4 en/of vrijverkeerbepalingen5. Het verbod op het verlenen van staatssteun (art. 107 VwEU en art. 108 lid 3 VwEU) heeft geen directe horizontale werking en kan dus niet door een particulier jegens een andere particulier worden ingeroepen.6 Uiteraard heeft het staatssteunverbod wel directe verticale werking.7
Ook van enkele bepalingen uit het EU-Handvest heeft het Hof van Justitie directe horizontale werking aanvaard. 8 Voorwaarde voor toepasselijkheid van het EU-Handvest is wel dat het gaat om een geval waarin Unierecht op enigerlei wijze is ‘geactiveerd’ (art. 51 lid 1 EU-Handvest).9
Géén directe horizontale werking is aanvaard van algemene beginselen van Unierecht, zoals het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, of het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel,10 hoewel van sommige van die beginselen in de literatuur wordt aangenomen dat zij rechtstreeks van invloed (kunnen) zijn op horizontale rechtsverhoudingen.11 Dat is dus niet het geval. Wel zijn er rechtsfiguren die hierop sterk lijken, zoals het in een geschil tussen particulieren buiten toepassing laten van nationale wetgeving omdat die wetgeving strijdig is met een algemeen beginsel van Unierecht (‘rechtmatigheidstoetsing’)12 of de directe horizontale werking van bepalingen uit het EU-Handvest waarin een algemeen beginsel van Unierecht tot uitdrukking is gebracht (zoals bij de non-discriminatiebepalingen).13
26. Directe horizontale werking van secundair Unierecht (verordeningen). Een verordening is “verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat” (art. 288 lid 2 VwEU). Om die reden is het – anders dan bij richtlijnen14 – niet nodig om verordeningen in nationaal recht om te zetten, en is het lidstaten zelfs niet toegestaan om verordeningen ook in nationaal recht om te zetten (het zogeheten ‘overschrijfverbod’).15
Het Hof van Justitie heeft in de zaak Muñoz directe horizontale werking van (bepalingen uit) verordeningen aanvaard.16 Het ging hier om meerdere verordeningen inzake groenten en fruit.17 In antwoord op prejudiciële vragen van de Engelse rechter, roept het Hof van Justitie in herinnering dat aan verordeningen rechtstreekse werking toekomt en “aan particulieren rechten kan verlenen die de nationale rechter gehouden is te beschermen”.18 Aangezien het doel van de desbetreffende verordeningen alleen kan worden bereikt indien zij door alle betrokken marktdeelnemers worden nageleefd, oordeelt het Hof van Justitie dat “vereist is dat de naleving van deze verplichting [art. 3 lid 1 Verordening (EG) nr. 1035/72 en Verordening (EG) nr. 2200/96; DFHS] kan worden verzekerd in een civiel proces tussen een marktdeelnemer en een concurrent”.19 Muñoz en Fruiticola konden zich tegenover concurrenten dus beroepen op schending van de bepalingen uit de desbetreffende verordeningen, voor zover daaraan directe horizontale werking toekomt.
Dit arrest illustreert dat de rechten en plichten die verordeningen aan particulieren toekennen kunnen worden ingeroepen in horizontale rechtsverhoudingen, ook indien de desbetreffende verordening dat niet met zoveel woorden bepaald. Voldoet een bepaling uit een verordening aan de criteria voor directe werking,20 dan kan zij ook in horizontale rechtsverhoudingen rechtstreeks worden ingeroepen.21
27. Géén directe horizontale werking van richtlijnen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie komt aan bepalingen uit richtlijnen géén directe horizontale werking toe.22 Richtlijnen richten zich niet tot particulieren, maar tot lidstaten. Zij binden “de lidstaten waarvoor zij bestemd zijn” ten aanzien van het te bereiken resultaat, en laten het aan die lidstaten om daartoe de geschikte vorm en middelen te kiezen (art. 288 lid 3 VwEU). Op de lidstaten rust de verplichting om het nationale recht binnen een met de richtlijn in overeenstemming te brengen (‘implementatie’).23 Omdat de in richtlijnen vervatte normen voor hun werking afhankelijk zijn van het nationale recht, komt aan particulieren in rechtsverhoudingen met andere particulieren geen rechtstreeks beroep toe op (bepalingen uit) richtlijnen, ook niet indien de implementatietermijn is verstreken. Richtlijnen hebben dus géén directe horizontale werking.24
Indien een lidstaat nalaat om een richtlijn (tijdig en juist) om te zetten in nationaal recht, rijst de vraag of in de richtlijn vervatte rechten en verplichtingen toch op enigerlei wijze kunnen worden afgedwongen. Het Hof van Justitie heeft deze mogelijkheid aanvaard indien is voldaan aan drie vereisten: (i) de implementatietermijn is verstreken, (ii) de ingeroepen bepaling voldoet aan de criteria voor rechtstreekse werking en (iii) de bepaling wordt ingeroepen jegens een overheidsorgaan.25 In zoverre kan een richtlijnbepaling dus directe verticale werking toekomen.26
Doet de overheid jegens de burger een beroep op een direct werkende Unierechtelijke regel, dan wordt gesproken van ‘omgekeerde verticale werking’.27 Het Hof van Justitie heeft omgekeerde verticale werking van richtlijnbepalingen afgewezen, óngeacht of het gaat om bepalingen die voldoen aan de criteria voor directe werking. De reden daarvoor is dat het ontoelaatbaar zou zijn als een lidstaat zijn eigen nalatigheid met succes aan particulieren zou kunnen tegenwerpen,28 en daarnaast dat een richtlijn als zodanig geen rechten voor particulieren in het leven roept.29
Leent een niet-geïmplementeerde richtlijnbepaling zich niet voor directe verticale werking, dan zal een particulier die de daarin toegekende rechten niet kan effectueren – ook niet via de in de volgende paragraaf te bespreken indirecte horizontale werking –, soms zijn toevlucht moeten nemen tot een schadevergoedingsactie jegens de staat die ten onrechte naliet de richtlijn(bepaling) te implementeren.30