Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.3.2.2
5.3.2.2 Het zwaarwichtig belang-criterium
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971980:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2020, ARO 2020/87 (Brouwer Bloembollen), r.o. 3.9; en Hof Amsterdam (OK) 31 oktober 2019, ARO 2019/193 (Bosal), r.o. 3.18. Zie Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.12. Zie ook best practice 4.2.1 van de Corporate Governance Code.
Ik verwijs voor een toelichting op de invulling van dit criterium naar par. 4.3.2.2 hiervoor.
Zie par. 2.2.2 hiervoor.
Zie Hof Amsterdam (OK) 24 augustus 2021, JOR 2021/296 m.nt. P.L. Hezer (Allure), r.o. 4.10; en Hof Amsterdam (OK) 8 juni 2022, ARO 2022/118 (Cloud Solutions), r.o. 3.8. Overigens mag de betreffende toelichting de vennootschap niet schaden, zo volgt uit Rb. Amsterdam 13 juni 2007, JOR 2007/176 (Centaurus c.s./Versatel), r.o. 4.4.1: “Aan een beroep op de concurrentiegevoeligheid van bepaalde gevraagde informatie is immers nu eenmaal inherent dat dit beroep niet uitvoerig kan worden toegelicht zonder dit zwaarwichtige concurrentiebelang alsnog te schaden.”
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 8 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1278 (Simetra), r.o. 3.10; en Hof Amsterdam (OK) 14 maart 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1035 (De Jong Verenigde Werkplaatsen), r.o. 3.28.
Hof Amsterdam (OK) 24 augustus 2021, JOR 2021/296 m.nt. P.L. Hezer (Allure), r.o. 4.10: “Allure heeft de terughoudendheid in de informatieverstrekking toegelicht door te benadrukken dat Holding actief is in dezelfde branche, dat (aan) Holding (gelieerde vennootschappen) een geschil heeft (hebben) met Allure en dat de financiële positie van de onderneming zo slecht en onzeker is dat het vervaardigen van prognoses voor een prospectus, businessplan en meerjarenplan niet mogelijk is. Het merendeel van de door Holding gewenste en gevraagde informatie ziet echter op het verleden en op de interne (financiële) verantwoording. Het door Allure gestelde kan daarom geen voldoende zwaarwegende grond opleveren om die informatie niet aan Holding te verschaffen.”
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 24 augustus 2021, JOR 2021/296 m.nt. P.L. Hezer (Allure), r.o. 4.10; en Hof Amsterdam (OK) 28 december 2021, ARO 2022/30 (SMC), r.o. 3.10.
Hof Arnhem-Leeuwarden 3 mei 2022, JOR 2023/2 m.nt. P.L. Hezer (Intercont), r.o. 4.15.
Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2020, ARO 2020/87 (Brouwer Bloembollen), r.o. 3.9.
Zie ook mijn noot bij Intercont onder JOR 2023/2, par. 6.
Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.12.
Ook hier lijkt de Ondernemingskamer de drempel hoog te leggen; ik breng bijvoorbeeld in herinnering de lijst met 113 vragen die Goudriaan stelde in Bosal (zie par. 5.2.4.1 hiervoor).
Verstrekking van relevante informatie kan (slechts) achterwege blijven of worden geweigerd indien een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet.1 Daarmee lijkt aansluiting te zijn gezocht bij het zwaarwichtig belang-criterium uit artikel 2:107/217 lid 2 BW.2 Ik meen dat dit dezelfde open norm betreft die in alle gevallen de informatieplicht van de vennootschap begrenst. Immers ligt hieraan in wezen dezelfde belangenafweging ten grondslag.3 Mijn bevindingen hieronder zijn dus ook relevant in het kader van het recht op inlichtingen ter vergadering. Bij de beoordeling van een beroep op het zwaarwichtig belang-criterium dient te worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval, waarbij overigens relevant kan zijn of informatie ter vergadering wordt verstrekt of daarbuiten. Gezien de functie van het recht op inlichtingen, zal de drempel voor een succesvol beroep op deze weigeringsgrond ter vergadering in het algemeen hoger liggen dan buiten vergadering. Overigens mag van de vennootschapsleiding worden verlangd dat zij een beroep op een zwaarwichtig belang motiveert.4
De vraag of sprake is van een zwaarwichtig belang, is aldus een zeer feitelijke vraag. Kort en goed dient enerzijds te worden voorkomen dat het zwaarwichtig belang een gelegenheidsargument wordt dat de vennootschap in staat stelt onwelgevallige informatieverzoeken buiten de deur te houden – en daarmee de aandeelhouder zijn legitieme bescherming te ontzeggen – en dient anderzijds voldoende ruimte te bestaan om de vennootschap te beschermen tegen schadelijke verzoeken. De weinige rechtspraak op dit punt is zeer feitelijk en lijkt niet altijd even consistent. Er bestaat dus zonder meer nog ruimte voor rechtsontwikkeling. Ik behandel enkele voorbeelden die in de rechtspraak aan bod zijn gekomen in verband met het informatierecht buiten vergadering.
Een zwaarwichtig belang van de vennootschap verzet zich – ook buiten vergadering – tegen het verstrekken van bedrijfs- of concurrentiegevoelige informatie.5 De vennootschap dient dan echter wel te kunnen uitleggen waarom de betreffende informatie concurrentie- of bedrijfsgevoelig is. In Allure werd een beroep op deze weigeringsgrond bijvoorbeeld afgewezen, waarbij de Ondernemingskamer leek te oordelen dat de betreffende informatie niet concurrentie- of bedrijfsgevoelig was, althans dat karakter had verloren door het verstrijken van de tijd.6 Het enkele feit dat de aandeelhouder in dezelfde branche actief is als de vennootschap, zal op zichzelf genomen nog niet rechtvaardigen dat de vennootschap zich in het geheel terughoudender opstelt bij het verstrekken van informatie;7 bepalend is de aard van de te verstrekken informatie.
Interessant is ook de volgende overweging van het Hof Arnhem-Leeuwarden uit het Intercont-arrest:
“Het verzoek van [appellante] mocht Intercont bovendien zien in het licht van al jaren slepende conflicten binnen de familie [naam1]. De informatieverschaffing zou in dat licht in feite weinig meer zijn dan het waarschijnlijke opstapje voor een nieuwe procedure tussen de aandeelhouders, haar UBO’s of anderen binnen de familie [naam1]. Dat de vennootschap bij dergelijke procedures niet is gebaat, behoeft geen betoog. Die hebben immers een verlammende uitwerking op het functioneren van de vennootschap. Zo er al een informatierecht voor [appellante] buiten de ava zou bestaan onder de gestelde omstandigheden, mocht Intercont zich tegen deze achtergrond op het standpunt stellen dat een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich tegen het verder verschaffen van informatie verzet.”8
Deze overweging lijkt bij eerste lezing op gespannen voet te staan met de volgende overweging uit Brouwer Bloembollen:
“Bovendien geldt onverminderd de regel dat een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich kan verzetten tegen beantwoording van gestelde vragen. Een dergelijk zwaarwichtig belang doet zich echter niet voor wanneer de vennootschap meent met ter beschikking gestelde documenten door Holding Carl in een gerechtelijke procedure ‘om de oren te zullen worden geslagen’.”9
Het onderscheid lijkt erin te zijn gelegen dat de informatieverzoeken in Brouwer Bloembollen legitieme verzoeken waren, de gebrekkige informatieverstrekking onderdeel was van de enquêteprocedure en dat voorkomen diende te worden dat informatie zou worden achtergehouden waar de aandeelhouder belang bij had in het kader van de aanhangige geschillenregeling. De informatieverzoeken uit Intercont leken daarentegen strategische verzoeken te zijn, die slechts dienden als pressiemiddel en om een dossier op te bouwen.10 Het achterliggende geschil hield geen verband met de vennootschap zelf. Bij dergelijke verzoeken zou ik echter menen dat het de aandeelhouder ontbreekt aan een redelijk belang bij de verzochte informatie, waardoor er überhaupt geen informatierecht ontstaat. Wat hier verder ook van zij, het beschermen van de vennootschap tegen schadelijke en onnodige procedures komt mij op zichzelf genomen voor als een legitieme reden om informatieverstrekking te weigeren.
In de eerstefasebeschikking inzake Steenfabriek overwoog de Ondernemingskamer bij wijze van voorbeeld dat een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich tegen de verstrekking van bepaalde informatie zou verzetten indien het verstrekken van die informatie onevenredig belastend zou zijn voor de onderneming.11 Evenredigheid impliceert een belangenafweging. Steeds zal dus moeten worden gekeken of de (transactie)kosten die zijn gemoeid bij de informatieverstrekking opwegen tegen de waarde van die informatie voor de vennootschap. Deze norm raakt daarmee niet alleen aan de bovengrens (het zwaarwichtig belang-criterium), maar ook aan de ondergrens van het informatierecht van de betrokken aandeelhouder(s).
Mede gezien de mogelijkheid van digitale verstrekking van de informatie, zullen die transactiekosten niet zozeer zitten in de logistiek, maar met name in de kosten, tijd en inspanning die het verkrijgen van de verlangde informatie vergt. Onnodig en onredelijk gedetailleerde of uitvoerige informatieverzoeken hoeven om die reden onder omstandigheden niet te worden gehonoreerd.12 Overigens kan ik mij ook voorstellen dat het inschakelen van externe adviseurs, of het langdurig vrijmaken van hooggeplaatste werknemers, onder omstandigheden tot onevenredige kosten zal leiden. Denkbaar is voorts dat vele herhaalde informatieverzoeken en onnodige vervolgvragen leiden tot een onevenredige belasting van de vennootschap, te meer indien de aldus te verstrekken informatie geen duidelijke meerwaarde heeft voor de aandeelhouder.
In welke andere gevallen kan een beroep op het zwaarwichtig belang van de vennootschap slagen? Zonder uitputtendheid te pretenderen, verwijs ik dan naar de gevallen die ik al eerder beschreef in het kader van het recht op inlichtingen ex artikel 2:107/217 lid 2 BW. Naast de verstrekking van bedrijfs- en concurrentiegevoelige informatie, kan dus ook worden gedacht onder meer aan regulatoir beschermde informatie, verschoningsgerechtigde informatie en – in uitzonderlijke gevallen – informatie die de interne verhoudingen ernstig kan schaden.