Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/22
22 Een herijking van de functie van winst
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367815:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
“For Adam Smith and his followers, it was possible to abstract one motive, the desire for personal profit, from all the motives driving men to action and to make this the key to man’s economic activity. They could conclude that, where true private enterprise existed, personal profit was an effective and socially beneficent motivating force.” Berle & Means 1932, p. 350. Tegenwoordig is binnen de economie het streven naar winst verbreed en spreekt men over het streven naar nutsmaximalisatie (‘utility maximizing’). Ik kom nog uitgebreid terug op dit onderwerp in hoofdstuk 11.
Berle & Means 1932, p. 333.
De eigenaar had zowel (i) een belang in de vennootschap, (ii) als de zeggenschap over deze vennootschap en (iii) hij handelde in naam van deze vennootschap. Gedurende de 19e eeuw verschoof de laatste functie van de eigenaar naar een aparte groep, de professionele bezoldigde bestuurders. Vervolgens is ook de tweede functie, het hebben van macht over een vennootschap, los komen te staan van de eerste. De positie van de eigenaar is daardoor beperkt tot het hebben van enkele formele juridische en feitelijke belangen in de vennootschap, terwijl de groep die de zeggenschap heeft in de positie is om de daadwerkelijke, materiële, juridische en feitelijke macht over de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming uit te oefenen. Berle & Means 1932, p. 119/120 en p. 341/342.
Meest fundamenteel van alles is dat de positie van de eigenaar is veranderd van een actieve naar een passieve. In plaats van daadwerkelijke fysieke eigendom te bezitten waarover de eigenaar directe macht kan uitoefenen en waarvoor hij ook verantwoordelijk is, houdt de ‘eigenaar’ nu nog slechts een stukje papier dat enkele rechten en verwachtingen vertegenwoordigt met betrekking tot de onderneming en/of de fysieke goederen – de middelen tot productie – waarin hij een belang heeft. De eigenaar heeft weinig tot geen zeggenschap. Daar tegenover staat dat hij geen verantwoordelijkheid draagt voor de onderneming of de fysieke goederen. Ook de emotionele waarden die normaal gepaard gaan met eigendom, zijn van de eigendom gescheiden. Het kan de eigenaar, los van het inkomen dat ermee wordt verworven, een directe bevrediging geven om fysieke eigendom te hebben en nieuwe producten te creëren. De eigendom gaat daardoor een deel van zijn eigen persoonlijkheid vertegenwoordigen. Met de ‘corporate revolution’ is deze kwaliteit verloren gegaan voor de aandeelhouder, evenals zij door de industriële revolutie verloren is gegaan voor de arbeider. De aandeelhouder is overwegend symbolisch eigenaar geworden, terwijl de zeggenschap, verantwoordelijkheid en inhoud zijn overgegaan op de bestuurders. Zie Berle & Means 1932, p. 6/7 en p. 66/68.
Berle & Means 1932, p. 7.
Smith 1776, Boek 5, hoofdstuk 1, deel 3, art. 1. De woorden van Adam Smith moeten uiteraard wel in de geest van zijn tijd worden geplaatst.
Berle & Means 1932, p. 8/9.
De belangrijkste schakel in de aanname dat ieder mens een eigen belang nastreeft, is de honger van de eigenaar naar persoonlijk gewin, naar het maken van winst.1 Volgens de traditionele visie dient de onderneming te worden gedreven ten behoeve van het welzijn van zijn eigenaren (lees: de aandeelhouders). Alle winst die de onderneming zou maken behoort hun toe.2 Het vooruitzicht op winst zorgt er namelijk voor dat (i) een individu zijn rijkdom wil riskeren door het in een onderneming te steken en (ii) dat het tevens de eigenaar een prikkel geeft om de onderneming zo winstgevend mogelijk te maken.
In het geval van de private, gesloten onderneming – de ‘private enterprise’ zoals gedreven ten tijde van Adam Smith – lijkt het onderscheid tussen de beide functies van winst niet van belang. Beide functies zijn aanwezig in één persoon: de eigenaar van een private onderneming. Deze ontvangt immers alle winst en vervult zowel de taak van risiconemer als van uiteindelijke bestuurder.3
In de moderne beursonderneming zijn het echter de aandeelhouders die hun investering riskeren, terwijl de bestuurders de onderneming winstgevend moeten maken. De moderne beursvennootschap heeft de eenheid van wat voorheen werd gezien als ‘eigendom’ vernietigd. Het begrip eigendom wordt vanaf dat moment verdeeld in (i) nominaal eigendom en (ii) de zeggenschap die daarmee gepaard gaat.4 De daadwerkelijke zeggenschap over de productiemiddelen is overgedragen aan een gecentraliseerde groep die de onderneming bestuurt, vermoedelijk, maar niet per definitie noodzakelijk, in het voordeel van de aandeelhouders.5 In 1776 wees Adam Smith reeds een dergelijke rechtsvorm voor het drijven van een onderneming van de hand. In zijn ‘Wealth of Nations’ schrijft hij:
“The directors of such companies [...], being the managers rather of other people’s money than of their own, it cannot well be expected that they should watch over it with the same anxious vigilance with which the partners in a private copartnery frequently watch over their own. Like the stewards of a rich man, they are apt to consider attention to small matters as not for their master’s honour, and very easily give themselves a dispensation from having it. Negligence and profusion, therefore, must always prevail, more or less, in the management of the affairs of such a company. It is upon this account that joint stock companies for foreign trade have seldom been able to maintain the competition against private adventurers.”6
Door deze nieuwe situatie wordt men gedwongen zich af te vragen wat de motiverende kracht is achter de beursgenoteerde onderneming.7 De scheiding van eigendom en zeggenschap heeft een toestand geschapen waarin de belangen van de eigenaar en van de uiteindelijke bestuurder uiteen kunnen – en wellicht ook zullen – lopen. Tegelijkertijd ontbreken de nodige ‘checks’, die voorheen overbodig waren vanwege de samenval van zeggenschapsmacht en economisch voordeel.
De overtuiging overheerst nog steeds dat de onderneming gedreven moet worden in het belang van de eigenaren. Maar is daarvoor enige rechtvaardiging? Mag zonder meer aangenomen worden dat degenen die de zeggenschap binnen de moderne beursvennootschap hebben, ervoor zullen kiezen de onderneming te drijven in het belang van de eigenaren?