Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/375
375 Vaststelling van de bezoldiging zonder bezoldigingsbeleid
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369089:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Afwezigheid van een bezoldigingsbeleid lijkt mij overigens vrij hypothetisch bij beursgenoteerde vennootschappen. In dit kader rijst wel de vraag of de naamloze vennootschap nog een bezoldigingsbeleid heeft na een fusie of splitsing. Ik zou menen dat bij een fusie de naamloze vennootschap in beginsel een bezoldigingsbeleid heeft, wellicht zelfs twee. Bij een splitsing geldt het bezoldigingsbeleid van de oorspronkelijke vennootschap naar mijn mening in beginsel als het bezoldigingsbeleid van de nieuwe naamloze vennootschappen. De naamloze vennootschap kan haar bestuurders dus blijven belonen overeenkomstig haar bestaande praktijk. Wel is er sprake van een dusdanige verandering dat daaruit naar mijn mening de verplichting ontstaat om op de volgende algemene vergadering een herzien beleid ter goedkeuring voor te leggen.
Van Veen wijst nog op art. 2:158/268 lid 3 BW dat betrekking heeft op de benoeming van commissarissen. Uit de toelichting op dat artikel blijkt dat de strekking daarvan is dat het bestaan van een profielschets een voorwaarde is voor de benoeming van de commissarissen. Is er geen profielschets vastgesteld, dan is de benoeming van commissarissen niet mogelijk, althans zo lijkt het standpunt van de minister. Zie Kamerstukken II 28 179, nr. 52 (Verslag van een wetgevingsoverleg), p. 26. Het vereiste van het hebben van een bezoldigingsbeleid acht Van Veen zelfs strikter voortvloeien uit de wet, hetgeen duidt op een onmogelijkheid om het bezoldigingsbesluit te nemen bij afwezigheid van een bezoldigingsbeleid. Van Veen 2005, p. 208.
Zie in gelijke zin Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 251; Van Slooten & Zaal 2008, casus 1. Anders: Bulten 2014, p. 115, waarin zij stelt dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het daartoe aangewezen orgaan intact blijft.
Art. 9a lid 2 Richtlijn (EU) 2017/828.
Zie onder andere Kamerstukken II, 2002/03, 28179, nr. 51 (Brief van de Minister), p. 2.
Immers, dan is voldoende tegemoet gekomen aan de onderliggende gedachte achter art. 2:135 lid 1 jo lid 4 BW dat de positie van de aandeelhouders versterkt diende te worden. Zie ook Bulten 2014, p. 114/115; Verburg 2015, p. 74/75.
Mocht wel nietigheid worden aangenomen dan zou art. 2:8 BW eventueel kunnen verhinderen dat de algemene vergadering of de vennootschap een beroep toekomt op deze nietigheid, onder verwijzing naar o.a. HR 17 december 1982, NJ 1983/480 (Bibolini); Rechtbank Amsterdam 15 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7118, r.o. 4.4 (Imeko II) (maar zie ook Hof Amsterdam 23 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1951, r.o. 3.11 (Imeko III)). Zie hierover randnummer 340.
Dat brengt mij bij het bespreken van de drie afzonderlijke situaties die zich voor kunnen doen:
de bezoldiging wordt vastgesteld bij afwezigheid van het bezoldigingsbeleid;
de vastgestelde bezoldiging is in strijd met het bezoldigingsbeleid; en
de vastgestelde bezoldiging wijkt af van het bezoldigingsbeleid.
Om te beginnen een antwoord op de vraag wat rechtens is wanneer het bezoldigingsbeleid ontbreekt.1 Zoals uiteengezet, dienen de woorden ‘met inachtneming van het beleid’ geïnterpreteerd te worden op een dwingende manier, waarbij de individuele bezoldiging binnen de grenzen van het beleid dient te worden vastgesteld. Maar zelfs als een minder strikte wijze wordt aangehangen, zal als minimale voorwaarde gelden dat bij het vaststellen van de individuele bezoldiging het bezoldigingsbeleid minstens in consideratie dient te worden genomen. De aanwezigheid van een bezoldigingsbeleid lijkt dan ook in alle gevallen een vereiste voor het rechtsgeldig kunnen nemen van een bezoldigingsbesluit.2 Bij afwezigheid van het bezoldigingsbeleid lijkt mij ieder bezoldigingsbesluit dan ook nietig op grond van art. 2:14 BW.3 Bij de oprichting van een naamloze vennootschap dient dus nagedacht te worden over het bezoldigingsbeleid.
In de herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn is opgenomen dat, indien er nog geen bezoldigingsbeleid is goedgekeurd en de algemene vergadering het voorgestelde beleid niet goedkeurt, de vennootschap haar bestuurders kan blijven belonen overeenkomstig haar bestaande praktijk en zij op de volgende algemene vergadering een herzien beleid ter goedkeuring voorlegt.4 Deze regeling lijkt te dienen als een overgangsbepaling voor lidstaten waar de verplichting tot het hebben van een bezoldigingsbeleid nog niet bestaat. Bestaat deze verplichting al wel, dan zal het niet snel voorkomen dat een naamloze vennootschap geen bezoldigingsbeleid heeft maar wel kan blijven belonen overeenkomstig een bestaande praktijk.
In het achterhoofd dient gehouden te worden dat het vereiste van het hebben van een bezoldigingsbeleid in het leven is geroepen om de balans binnen de vennootschappelijke verhoudingen te herstellen en de algemene vergadering meer grip te laten krijgen op de bezoldiging van bestuurders.5 Er is dan ook een uitzondering op voorgenoemde regel. Is de algemene vergadering zelf bevoegd de individuele bezoldiging vast te stellen en neemt de algemene vergadering een bezoldigingsbesluit terwijl een bezoldigingsbeleid ontbreekt, dan is er mijns inziens geen sprake van een nietig bezoldigingsbesluit.6
Ik ben mij ervan bewust dat een letterlijke lezing van art. 2:135 lid 4 BW dit niet lijkt toe te staan. Daarin is immers opgenomen dat de algemene vergadering de bezoldiging met inachtneming van het bezoldigingsbeleid vaststelt, tenzij de statuten een ander orgaan aanwijzen. Toch zou ik niet vast willen houden aan de regel dat de algemene vergadering het bezoldigingsbesluit met inachtneming van het door de algemene vergadering vastgestelde bezoldigingsbeleid moet nemen. Des te meer omdat het bezoldigingsbesluit in dergelijke gevallen onder omstandigheden zelfs gezien zou kunnen worden als een (gedetailleerd) bezoldigingsbeleid.7 De wetgever doet er goed aan de wetstekst aan te passen om voor meer duidelijkheid te zorgen.