Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/2.1.2
2.1.2 Due process & crime control
J. Kort , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200768:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Sanders & Young geven een uitgebreid overzicht van studies waarvoor dit geldt (2007: 19). In diverse theoretische inleidingen op strafrecht of criminologie wordt uitgebreid aandacht besteed aan Packers modellen en de reacties daarop (o.a. Zedner, 2004; Ashworth & Redmayne, 2005; Newburn, 2013).
In eerste instantie leidde de constatering dat politiemensen in hun werk over een aanzienlijke autonomie beschikken tot verontrusting. Het werd gezien als ondergraving van de rechtsstaat en een bron voor rechtsongelijkheid (Goldstein, 1960). In later onderzoek, ook in Nederland, zijn bevindingen als deze vaak herbevestigd. Echter tegenwoordig wordt de discretionaire ruimte die politiemensen hebben bij het verrichten van hun werk in de eerste plaats beschouwd als een onvermijdelijk kenmerk ervan (Lipsky, 1980; Van der Torre, 1999; Terpstra, 2008; Landman, 2015).
Rechtsbescherming en rechtswaarborgen kunnen uiteenlopende juridische kaders, uitgangspunten en (fundamentele) beginselen betreffen. Voorbeelden hiervan zijn het recht op rechtsbijstand, het respecteren van het zwijgrecht van de verdachte, de onschuldpresumptie en ‘geen procedure zonder aanleiding’ (Corstens, 2014: 41-62). Hoe de laatste twee beginselen in Nederland zijn uitgewerkt is (deels) geanalyseerd door resp. Bemelmans (2018) en Brinkhoff (2014). Belangrijk is te weten dat rechtsbescherming niet uitsluitend verwijst naar de waarborging van fundamentele beginselen zoals dat van de rechterlijke onpartijdigheid. Dit beginsel wordt in zeer veel rechtsstelsels vooropgesteld en is ook in het EVRM opgenomen (art. 6 lid 1). In een stelsel van strafprocesrecht kan ook zijn gekozen voor uitgangspunten die door andere kunnen worden ingewisseld zonder dat een fundamentele rechtswaarde verloren gaat.
Zonder zijn bijdrage zelf binnen de rechtsfilosofische of -sociologische literatuur te plaatsen, vulde Herbert L. Packer, hoogleraar rechten aan de Amerikaanse Stanford University, in 1964 de analyse van het straf(proces)recht aan met een nieuw theoretisch perspectief. Ook in zijn visie staat de strafrechtspleging in het teken van verschillende, elkaar deels tegengestelde doelen of belangen. Packers analyse richt zich echter niet op de rechtvaardiging van strafrechtelijk optreden, maar op het functioneren van de strafrechtelijke instituties. Zijn analyse lijkt daarmee van groot belang voor deze studie over opvattingen over het functioneren van het strafrecht.
Packers theorie (1964; 1968) wijst op een voortdurende spanning in de strafrechtspleging. Deze wordt door hem beschreven aan de hand van twee modellen: het crime control model en het due process model. Packers theoretische bijdrage schuilt in het benoemen en definiëren van de spanning hiertussen; de begrippen crime control en due process los van elkaar, zijn geen vondst van hem. Op zichzelf betekent crime control criminaliteitsbestrijding; due process duidt op juridische waarborgen.
Het spanningsveld tussen de modellen van Packer is door vele auteurs1 becommentarieerd en gebruikt als vertrek- of referentiepunt voor commentaren over strafrecht en strafrechtspleging. Minder talrijk zijn de empirische onderzoeken die de theorie van Packer tegen het licht houden. Gekozen is van Packers modellen gebruik te maken in dit onderzoek. Om de te onderzoeken opvattingen gericht te kunnen analyseren, maar ook om te bezien in hoeverre Packers modellen voldoen om opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en strafrechters te begrijpen. Packers modellen hebben zowel vanuit empirisch, als vanuit theoretisch oogpunt al wel kritiek gekregen. In het navolgende wordt op de modellen van Packer ingegaan. In de volgende paragraaf worden de belangrijkste reacties hierop beschreven en beoordeeld.
Volgens Packer laat onderzoek zien dat de strafrechtspleging slechts gedeeltelijk kan worden beschreven aan de hand van de geldende procedures voor onder meer de aanhouding van verdachten, rechercheonderzoek en het strafproces: ‘Prescriptions about how the process ought to operate do not automatically become part of the patterns of official behavior in the criminal process.’ (1964: 3) Hij verwijst daarbij naar enkele van de eerste onderzoeken op dit terrein, onder anderen van Goldstein (1960). Deze al wat oudere Amerikaanse onderzoeken lieten zien dat politiemensen in hun dagelijks werk, zeker als het op straat plaatsvond, over een aanzienlijke discretionaire ruimte beschikken, regels vaak op hun eigen wijze interpreteren en deze regelmatig niet of selectief toepassen.2 Op basis van het uitgangspunt dat er meer is in de strafrechtspraktijk dan het juridisch kader alleen, komt Packer tot zijn theorie. Er is niet alleen sprake van ‘law in the books’, maar ook van ‘law in action’ zoals Pound dat al eerder formuleerde (In: Deflem, 2008: 100).
Packer wijdde zich niet zelf aan empirisch onderzoek. Evenmin construeerde hij via fundamenteel rechtsonderzoek een normatief model. Volgens hem zou dat laatste alleen helpen om een overzicht te geven van (politieke) keuzes die gemaakt zijn tussen verschillende waarden. Hij bestudeerde bestaand empirisch onderzoek en jurisprudentie en kwam daarmee tot een theorie over het functioneren van het Amerikaanse strafrechtsysteem. Opmerkelijk is dat Packers artikel uit 1964 waarin de modellen voor het eerst worden genoemd, niet is bedoeld als een bijdrage aan de strafrechtstheorie, maar als een analyse van de op dat moment actuele ontwikkelingen in het strafrechtsysteem van de VS. De passages waarin Packer op die ontwikkelingen ingaat kunnen hier buiten beschouwing blijven.
In het artikel ‘Two models of the criminal process’ (1964) presenteert Packer zijn theorie rond het begrippenpaar ‘due process’ en ‘crime control’ voor het eerst: twee verschillende benaderingen van de vraag ‘what the criminal law is good for’ (1964: 4). Zijn ambitie is zicht te krijgen op de verschillende doelstellingen die binnen de strafrechtspleging en in het politieke en maatschappelijke debat daarover een rol spelen, zodat ‘we can begin to appraise the system as a whole in terms of its capacity to deal with the variety of substantive missions we confide to it’ (1964: 5). Volgens Packer moet daartoe de aandacht verschuiven van het formele recht naar een zo precies mogelijke beschrijving van ‘what actually goes on in the real-life world of the criminal process’ (1964: 5). De twee modellen weerspiegelen verschillende waarden die volgens Packer aan de strafrechtspleging ten grondslag liggen en dienen een beschrijving van de werkelijkheid mogelijk te maken die, neemt hij aan, wordt gevormd door ‘a constant series of minute adjustments between the competing demands of two value systems’ (1964: 6).
Als eerste somt Packer enkele assumpties op die volgens hem geen onderdeel uitmaken van de tegenstelling tussen de verschillende waardesystemen die hij onderscheidt. De eerste assumptie houdt in dat het strafproces altijd (tot op zekere hoogte) geformaliseerd is: ‘There must be a means of definition that is in some sense separate from and anterior to the operation of the process (…).’ (1964: 7) De tweede assumptie die Packer formuleert houdt in dat het strafrecht normaalgesproken daadwerkelijk gehandhaafd moet worden, als er een redelijk vermoeden is dat de verdachte opgespoord en veroordeeld kan worden: ‘[T]he criminal process ordinarily ought to be invoked by those charged with the responsibility for doing so when it appears that a crime had been committed and that there is a reasonable prospect of apprehending and convicting its perpetrator.’ (1964: 7) Als derde is er de assumptie dat er grenzen moeten zijn aan de overheidsmacht die kan worden ingezet om personen te onderzoeken en te arresteren die worden verdacht van het plegen van strafbare feiten:
‘[N]o one in our society would maintain that every individual may be taken into custody at any time and held without limitation of time during the process of investigating his possible commission of crimes, or that there should be no form of redress for violation of at least some standards for official investigative conduct.’ (1964: 8)
Tot slot stelt Packer dat ook buiten kijf staat dat er binnen het strafproces een mogelijkheid moet zijn voor verdachten om te procederen bij de rechter. De onafhankelijke rechter of jury moet ervoor zorgen dat de rechtsbeschermende- of waarborgfunctie van het straf(proces)recht wordt vervuld.3
‘[T]he alleged criminal is not merely an object to be acted upon, but an entity in the process who may, if he so desires, force the operators of the process to demonstrate to an independent authority (judge and jury) that he is guilty of the charges against him.’ (1964: 9)
Het essentiële onderscheid tussen Packers modellen heeft betrekking op deze laatste assumptie. Centraal staat de mate waarin het strafproces de gelegenheid biedt voor confrontatie en strijd tussen de verschillende actoren die betrokken zijn. Packer noemt dit het ‘adversary aspect’ van het strafproces. Het due process model stelt dit aspect centraal. Belangrijkste doel van het strafproces is hierin het vergroten van de betrouwbaarheid van de ‘feiten’. Het crime control model legt juist zo min mogelijk nadruk op het adversaire aspect, om te voorkomen dat aan het realiseren van criminaliteitsbeheersing, dat in dit laatste model centraal staat, beperkingen worden opgelegd.