De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/98:98 De principaal-agenttheorie en haar mensbeeld
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/98
98 De principaal-agenttheorie en haar mensbeeld
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364128:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer het artikel in de New York Times door Jane L. Levere van 5 december 2004: Who Invited the Speaker? (beschikbaar op https://www.nytimes.com/2004/12/05/business/yourmoney/05suits.html?_r=0 (laatst bezocht op 5 augustus 2017).
Barney Frank was op dat moment lid van ‘the US House of Representatives’ van Massachusetts en ‘senior Democrat’ van ‘the House Financial Services Committee’.
Brennan 1994; Brennan 1998; Sen 1977.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
“At the level of pay that those of you who run banks get, why the hell do you need bonuses to do the right thing? Do we really have to bribe you to do your jobs? I don’t get it. Think what you are telling the average worker, that you who are the most important people in the system and at the top, your salary isn’t enough, you need to be given an extra incentive to do your jobs right.”1
Met deze woorden stelde Barney Frank de noodzaak van de hoge bonussen ter discussie in zijn toespraak tijdens het jaarlijkse diner van het financiële dagblad American Banker.2 Weinigen van de aanwezige bestuurders zal zich kunnen verenigen met de gedachte dat zij omgekocht moeten worden om hun bestuurstaak goed uit te voeren. Toch steunt de noodzaak om op de moderne manier te bezoldigen op de idee dat bestuurders, indien zij niet door hun bezoldiging gemotiveerd worden, hun bestuurstaak niet naar behoren zullen vervullen. De noodzaak voor het belonen voor prestatie is dus gebaseerd op een wantrouwen jegens bestuurders. Dit wantrouwen rust niet op empirische bevindingen over het handelen van bestuurders binnen ondernemingen, maar vloeit simpelweg voort uit het mensbeeld dat ten grondslag ligt aan de principaal-agenttheorie.
De principaal-agenttheorie heeft de afgelopen decennia het theoretisch landschap dat de corporate governance vraagstukken herbergt, gedomineerd. De principaal-agenttheorie en de daarin vervatte aannames zijn echter niet vrij van kritiek. Deze kritiek strekt zich tevens uit tot de oplossingen voor het principaal-agentprobleem, zoals de pay-for-performancebenadering.3 Eén van de belangrijkste kritiekpunten op de principaal-agenttheorie ziet op het mensbeeld dat aan de basis ligt van deze theorie. Een (marginale) toetsing van dat mensbeeld doet het fundament, waarop de noodzaak voor de moderne beloningsvisie rust, ernstig wankelen.