Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/4.2.1.1
4.2.1.1 Het ongeschreven recht op inlichtingen
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972020:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie van Limburg Stirum 1829, p. 110-111: “Door het opdragen van het bestuur aan deze of gene personen, ontdoen [de leden der maatschappij] zich ook niet van het regt, om over het bestuur te waken, deszelfs handelingen te onderzoeken, inlichtingen betrekkelijk dezelve te vragen en alle voorstellen te doen en besluiten te nemen, welke zij oordeelen mogen, in hun algemeen belang te zijn. Het is daarom gebruikelijk om in de akten te bepalen, dat er jaarlijks eene algemene vergadering plaats zal hebben, (…) en er wordt buitendien aan het bestuur de magt gegeven, om de algemeene vergadering in ongewone gevallen buitengewoon op te roepen.”; en Mulder (diss.) 1884, p. 30-31: “[De algemene vergadering] heeft het toezicht en de controle, – niet te verwarren met het onmiddellijke toezicht en de controle van commissarissen, – over alle handelingen der bestuurders, commissarissen en andere beambten, waaruit volgt het recht inzage te hebben van alle boeken en bescheiden der vennootschap, de opname van de rekening en verantwoording van het beheer door de bestuurders gevoerd en de al of niet goedkeuring der balans en van het gevoerd bestuur.”
Zie ook Bloembergen (diss.) 1944, p. 186 e.v.; en Van der Velden (diss.) 1969, p. 176, overigens in het kader van de vereniging. Vgl. Volmer 1927, p. 34, die kort vóór inwerkingtreding van de wet van 1 april 1928 het bestaan van een recht op inlichtingen bevestigde en daarbij aangaf dat het goed zou zijn indien dit recht “in de Wet wordt neergelegd en met waarborgen omkleed”.
Zie Slagter 1968, p. 140.
Zie Handboek 1962, p. 362 e.v.; en Handboek 1968, p. 327 e.v.
Handboek 1968, p. 327-328.
Anders: Bloembergen (diss.) 1944, p. 187: “[De aandeelhouder] heeft slechts rechten tegenover de n.v., niet jegens het bestuur, m.a.w. hij kan alleen in de vergadering van aandeelhouders vragen, of zij wil besluiten, dat het bestuur bepaalde gegevens bekend maakt.”
Handboek 1968, p. 327; en Handboek 1962, p. 363.
Handboek 1962, p. 362-363. Opmerkelijk genoeg komt deze passage niet meer voor in de achtste druk (1968).
Handboek 1968, p. 327; en Handboek 1962, p. 363.
Reeds vóór de codificatie van het recht op inlichtingen in 1971 werd aangenomen dat kapitaalverschaffers, al dan niet collectief in orgaanverband, uit hoofde van hun controlerende functie toegang zouden moeten krijgen tot informatie van de vennootschap. Vroege voorbeelden van een dergelijk ‘collectief’ informatierecht van de algemene vergadering zijn te vinden in literatuur uit de negentiende eeuw.1 De juridische rechtvaardiging voor het recht op inlichtingen werd gezocht in de toezichthoudende of controlerende rol van de aandeelhouders en daaraan gekoppelde verantwoordingsplicht van de vennootschapsleiding. Ook na de inwerkingtreding van de wet van 1 april 1928, waarmee de huidige wettelijke regeling voor de NV werd geïntroduceerd, werd een dergelijk ongeschreven recht op inlichtingen van de algemene vergadering erkend door – onder meer2 – Slagter3 en Van der Grinten.4 Ik citeer Van der Grinten in zijn bewerking van het Handboek:
“Niet in de wet is geregeld, of en in hoeverre de algemene vergadering en de individuele aandeelhouder inlichtingen van het bestuur of van commissarissen kunnen verlangen. Een informatieplicht zouden wij willen aannemen. Grondslag voor de informatieplicht is, dat in de wettelijke structuur van de n.v. bestuur en commissarissen verantwoording verschuldigd zijn aan de algemene vergadering.”5
Aangenomen werd dat dit recht op inlichtingen ter vergadering kon worden uitgeoefend door individuele aandeelhouders:6
“Redelijkheid en billijkheid brengen voorts mede, dat ook de individuele aandeelhouder een informatierecht heeft. Hij heeft echter dit recht slechts indien hij ter vergadering tegenwoordig is. Bestuur en commissarissen zijn in het algemeen niet gehouden een aandeelhouder buiten vergadering inlichtingen te geven. Ter vergadering kan de individuele aandeelhouder alle inlichtingen vragen, die de algemene vergadering kan verlangen.”7
Eerder had Van der Grinten betoogd dat uit de redelijkheid en billijkheid tevens volgt dat de algemene vergadering aanspraak kan maken op alle inlichtingen die zij verlangt in verband met door haar te nemen besluiten of agendapunten:
“Naar onze mening moet ook als geldend recht worden aanvaard de regel die in het nieuwe B.W. is vastgelegd, dat de rechtspersoon, haar aandeelhouders en zij die deel uitmaken van haar organen zich jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en de billijkheid wordt gevorderd. Deze redelijkheid en billijkheid brengen mede, dat de algemene vergadering van het bestuur en de commissarissen alle inlichtingen mag verlangen, die zij in verband met door haar te nemen besluiten (…) van belang acht of die onderwerpen betreffen welke verband houden met agendapunten van de vergadering.”8
Verstrekking van informatie zou in voorkomende gevallen slechts kunnen worden geweigerd indien dit, kort samengevat, de vennootschap of derden onevenredig zou schaden:
“Het bestuur en het college van commissarissen behoren een grote openheid in acht te nemen. Zij miskennen hun plaats in de n.v. wanneer zij in het algemeen weigeren op vragen in te gaan. Slechts op deugdelijke gronden mogen zij de beantwoording van ter zake dienende vragen weigeren. Zulk een deugdelijke grond kan zijn, dat de rechtmatige belangen van derden door de inlichtingen zouden worden aangetast. Ook schade aan de concurrentiepositie van de vennootschap kan een grond zijn, indien redelijkerwijze een ernstig nadeel voor de n.v. te duchten valt.”9
Op enkele nuanceverschillen na, is dit recht op inlichtingen gelijk aan de regeling die later, met de invoering van de Structuurwet in 1971, zou worden gecodificeerd.