Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/9.2.3:9.2.3 Vragen voor toekomstig onderzoek
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/9.2.3
9.2.3 Vragen voor toekomstig onderzoek
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200839:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Volgens McBarnet (1983) kunnen kunnen straf- en strafprocesrecht ook op zichzelf in strijd zijn met breder liggende juridische standaarden (zie hoofdstuk 2). Hierop is met dit onderzoek geen zicht verkregen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder meer de hierboven gestelde vragen maken duidelijk dat verschillende criteria gehanteerd kunnen worden om het functioneren van het strafrecht te beoordelen. Hieromtrent zijn op basis van deze studie dan ook nog veel onderzoeksvragen te stellen.
Dit onderzoek laat zien dat er binnen de strafrechtsketen sprake is van verschillende opvattingen over hoe het strafrecht zou moeten functioneren. Tegenover de opvatting dat het strafrecht met zijn nadruk op formele bewijsvoering, afstandelijkheid, regels en procedurele zorgvuldigheid vooral de verdachte beschermt, staat de opvatting dat het strafrecht instrumentele oplossingen moet bieden en tenminste maatschappelijke normen bevestigt. Daarbij gelden als belangrijk: een behoefte om oplossingen en bescherming aan de samenleving te bieden, praktische juridische mogelijkheden, gevoelens van rechtvaardigheid en betrokkenheid. Meer dan van tevoren gedacht blijken deze opvattingen te verschillen per onderzochte strafrechtelijke institutie. Met dit onderzoek is niet nagegaan hoe opvattingen over het strafrecht zich vertalen in concrete handelingen en beslissingen. Hoe bijvoorbeeld verschillende opvattingen over bewijsbeoordeling zich vertalen in verschillen in beoordeling van concrete zaken, zal door vervolgonderzoek duidelijk moeten worden. Belangrijk is te beseffen dat opvattingen van rechters over hoe het strafrecht zou moeten functioneren zich niet beperken tot rechtsbescherming, zoals Packer leek te veronderstellen. Dit hoeft niet te verbazen, omdat rechters beslissen over strafrechtelijke sancties, waarmee belangrijke doelen bereikt kunnen worden. Toch kan het aan het denken zetten: weten we voldoende om aan te nemen dat instrumentaliteit en rechtsbescherming voldoende in evenwicht zijn binnen het huidige strafrechtsysteem? Zelfs wanneer rechters de ruimte hebben om de waarborgfunctie van straf- en strafprocesrecht1 te realiseren, spreekt niet vanzelf dat zij dat ook zullen doen.
Hoe expliciet strafprocesrecht uitgewerkt moet worden om de verdachte een ‘faire’ behandeling te verzekeren, is volgens het onderzoeksproject Strafvordering 2001 vanuit een theoretisch perspectief niet uit te maken (Groenhuijsen & Knigge, 2004: 32-34). Of op een juiste bevoegdheidsuitoefening door de rechter kan worden vertrouwd, hangt voor een belangrijk deel af van de heersende rechtsopvattingen, van de traditie en de cultuur van de rechterlijke organisatie en van de op basis hiervan gegroeide praktijk. Ook voor de overige actoren in het strafproces – de politie, het OM, de advocatuur – geldt dat de mate waarin zij gereguleerd en getoetst moeten worden, afhankelijk is van het vertrouwen dat in een juiste taakvervulling kan worden gesteld. Steeds is de vraag of regels en voorzieningen in de praktijk werken zoals ze bedoeld zijn. Daarbij zou empirische toetsing niet ‘goeddeels een kwestie van trial and error’ behoren te zijn, waarbij ‘gebleken misstanden’ tot nieuwe wetgeving leiden (idem: 33). Van belang is hierbij ook wetenschappelijke inzichten over het functioneren van de strafrechtspleging te betrekken. Dit onderzoek is niet gericht geweest op het geven van inzicht in het feitelijke functioneren van het strafrecht, maar biedt wel zicht op de verschillende taakopvattingen van de actoren in het veld.
Opvallend is dat een deel van de leden van de rechterlijke macht probeert om beperkingen in hun perspectief op strafzaken tegen te gaan. Zo willen sommige rechters onderzoek ter zitting doen om aanvullend op de informatie uit het dossier, zelf te ondervinden wat politiemensen ervaren. Het strafdossier spreekt dan kennelijk niet voor zich. Soms blijken rechters zich af te vragen hoe een verklaring (in de rechtszaal) over zal komen. Rechters zouden politiemensen soms op zitting vragen om hun interpretatie van strafzaken te geven. Het lijkt de moeite waard om te bezien wat de concrete gevolgen zijn van deze verschijnselen. De vraag komt op wat deze grotere ‘betrokkenheid’ van rechters betekent voor de manier waarop ze juridische beslissingen nemen. Hoe gaan zij bijvoorbeeld om met sfeerverbalen van de politie of met het requisitoir van officieren van justitie, dat vaak mede bedoeld is om de rechter(s) meer te betrekken bij de context van een strafzaak, de gevolgen voor eventuele slachtoffers, de buurt en de aanpak van criminaliteitsproblemen door politie en justitie. De vraag is ook hoe officieren van justitie in de praktijk omgaan met de interpretatie die politiemensen van strafzaken geven. Zij zien het enerzijds als hun taak uitleg te geven over strafrechtelijke regels en afwegingen, maar sommige officieren zeggen ook de interpretatie en overtuigingen van politiemensen in hun strafrechtelijke afwegingen mee te nemen.
Zoals eerder vermeld roept dit onderzoek de belangrijke vraag op naar de gevolgen van onvrede onder politiemensen over het functioneren van het strafrecht. Geconstateerd is dat hierin een belangrijke bron van frustratie ligt. Van vervreemding van het recht lijkt bij politiemensen geen sprake, daar zij zich juist beroepen op de waarden van recht en rechtvaardigheid, als zij officieren van justitie proberen van hun visie te overtuigen en ook als zij proberen buiten de rechtsregels om ervaren gebreken in het functioneren van het strafrecht te compenseren. Daarbij lijkt het er niet op dat in Nederland vaak sprake is van ‘straatrecht’. Maar het is nog te weinig inzichtelijk welke rol opvattingen over strafrecht spelen bij de uitoefening van het politievak op straat, in contacten met burgers en bij geweldstoepassing door de politie. Dit specifieke onderwerp verdient onderzoeksmatige aandacht, mede gelet op de bevinding in deze studie dat politiemensen problemen willen aanpakken waarop strafrechtelijk onvoldoende zou worden gereageerd.