Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/100
100 Kritiek op het mensbeeld
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371391:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Niet alleen zijn er talrijke experimenten uitgevoerd waaruit blijkt dat de mens niet altijd rationeel handelt, maar ook zijn er tal van voorbeelden waaruit blijkt dat de mens niet louter in zijn eigen belang handelt. Hier kom ik later meer uitgebreid op terug. Henrich e.a. 2001.
Oude vrouwtjes worden de straat over geholpen en aan toeristen wordt de weg uitgelegd door totale vreemden die daaraan geen enkel materieel gewin beleven en er zelfs slechter van worden doordat ze kostbare tijd verliezen. Zie onder andere Stout 2011, p. 49. De Homo economicus zou dergelijk gedrag nooit vertonen.
Sen 1977, p. 332.
Stout 2011, p. 33.
Het mensbeeld van het ‘Resourceful Evaluative Maximizing Model’ (REMM) dat Michael Jensen en Meckling in 1994 opvoeren is daar een voorbeeld van. Hoewel de term nieuw is, is het concept dat niet. Het REMM is een uitbreiding van de enge benadering van de Homo economicus. De basiselementen van het REMM bestaan uit vier hypothesen; (i) Het individu geeft om bijna alles en iedereen, is in staat om te evalueren (beoordelen) en is altijd bereid om trade-offs te maken of voor substituties te gaan. Ook zijn de voorkeuren van het individu transitief, (ii) de wensen van een individu zijn onbeperkt. Hij prefereert altijd meer van een (positief) goed dan minder en heeft nooit genoeg (iii) ieder individu is een ‘maximizer’ en (iv) het individu is vindingrijk. Jensen & Meckling 1994, p. 5.
Brennan 1998, p. 8. Demsetz 1996, p. 492.
Stout 2011, p. 32/33. Brennan merkt daarnaast nog op: “This attitude is at odds with the Popperian view, generally held by economists, that a scientific hypothesis is of interest, only to the extent that it is potentially falsifiable. An hypothesis that is consistent with any observation is empirically empty”. Brennan 1998, noot 18.
Demsetz concludeert dat we moeten aannemen dat wij “an acquisitive species” zijn die meer rijkdom boven minder rijkdom verkiezen. Demsetz 1996, p. 492.
Stout 2011, p. 39.
De beroemde gedragseconoom Kahneman heeft samen met anderen overigens aangetoond dat ook in situaties waarbij partijen elkaar niet kennen en niet face-to-face met elkaar onderhandelen of er simpelweg sprake is van een markttransactie, gevoelens van redelijkheid meespelen waardoor individuen niet handelen zoals de beperkte visie van de mens doet verwachten. Zie o.a. Kahneman 2011; Kahneman, Knetsch & Thaler 1986a, p. 285-300; Kahneman, Knetsch & Thaler 1986b.
Zie ook Brennan 1994, p. 32.
Vanuit verschillende kanten is kritiek geleverd op het gebruik van de Homo economicus als mensbeeld, omdat het mensbeeld belangrijke menselijke gedragingen uitsluit.1 Zo komt men dagelijks voorbeelden tegen van altruïstisch gedrag, terwijl hiervoor geen plaats is bij de Homo economicus.2
Amartya Sen demonstreert de absurdheid van de Homo economicus als realistisch mensbeeld met een voorbeeld van twee vreemden die elkaar op straat tegenkomen:
“‘Where is the railway station?’ he asks me. ‘There,’ I say, pointing at the post office, ‘and would you please post this letter for me on the way?’ ‘Yes,’ he says, determined to open the envelope and check whether it contains something valuable.”3
Om de kritiek op het gebruik van de Homo economicus te pareren wordt vaak gesteld dat de economische theorie niet noodzakelijk ervan uitgaat dat mensen ‘materieel egoïstisch’ zijn. In de meeste discussies wordt de Homo economicus immers omschreven als een ‘rational maximizer’ niet zozeer met betrekking tot geld of rijkdom (zoals in zijn meest simpele vorm), maar van zijn eigen utiliteit.4 Het begrip utiliteit kan meer bevatten dan alleen materieel voordeel. Indien iemand ervoor kiest om op grond van ethische of morele overwegingen op een bepaalde manier te handelen is dat gedrag niet inconsistent met dat van de Homo economicus, zolang het handelen bijdraagt aan zijn persoonlijk nut.5 Er is dus eerder sprake van een Homo utilis dan een Homo economicus.
Door het begrip utiliteit een breder bereik te geven, wordt de opvatting dat mensen op een rationele wijze hun utiliteit maximaliseren echter gereduceerd tot een tautologie. Alle gedragingen komen immers onder de definitie van het eigen belang te vallen.6 Zolang ieder handelen van de Homo economicus bijdraagt aan zijn persoonlijk nut, is ieder gedrag – zowel dat van een moeder die haar kind verlaat als dat van een moeder die zich opoffert voor haar kind – consistent met het economisch mensbeeld. Een dergelijke brede opvatting doet afbreuk aan de voorspellende waarde van de economische theorie.7
Demsetz is daarom van mening dat, om toch deze voorspellende waarde te behouden, men zal moeten aannemen dat de utiliteit van mensen zich primair richt op het verbeteren van hun materiële omstandigheden.8 Hierdoor komt de econoom terecht in een lastige spagaat. Of hij kiest voor een meer realistisch mensbeeld met als consequentie dat het mensbeeld niet of nauwelijks kan worden ingepast in een model en de economie aan ‘voorspellende waarde’ verliest. Of hij gaat uit van een gesimplificeerd mensbeeld, waarbij de mens zich alleen laat leiden door materieel gewin. Hierdoor behoudt de econoom het grote voordeel dat hij gebruik kan maken van een model van de mens dat volkomen voorspelbaar is. Men kan er immers altijd op rekenen dat de Homo economicus zijn eigen materiële belang na zal jagen. Dit laatste heeft een belangrijk bijkomend voordeel: wat het probleem ook is, betere (financiële) prikkels zullen het oplossen.9 Het grote nadeel is dat het gehanteerde model zover van de realiteit afstaat, dat men alsnog vraagtekens kan zetten bij de voorspellende waarde van de uitkomsten, (evenals de fundering die de uitkomsten kunnen bieden voor het ontwerpen van corporate governance mechanismen).
Ik wil overigens niet beweren dat de beperkte visie op de mens ieder nut ontbeert. Het kan uitermate geschikt zijn dit model toe te passen bij het observeren van een perfect concurrerende markt waarbij er bijvoorbeeld slechts sprake is van eenmalige (anonieme) markttransacties.10 Bij relationele overeenkomsten leidt de imperfectie van de beperkte visie op de mens naar mijn mening tot onbruikbare voorspellingen.11