Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/40
40 De toenemende macht van de bestuurders
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371379:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
“In some firms the entrepreneur and his close associates (and their families) who built the enterprise continued to hold the majority of stock. They maintained a close personal relationship with their managers, and they retained a major say in top management decisions, particularly those concerning financial policies, allocation of resources, and the selection of senior managers. Such a modern business enterprise may be termed an entrepreneurial or family one, and an economy or sectors of an economy dominated by such firms may be considered a system of entrepreneurial or family capitalism”; Chandler 1977, p. 9.
“Where the creation and growth of an enterprise required large sums of outside capital, the relationship between ownership and management differed. The financial institutions providing the funds normally placed part-time representatives on the firm’s board. In such enterprises, salaried managers had to share top management decisions, particularly those involving the raising and spending of large sums of capital, with representatives of banks and other financial institutions. An economy or sector controlled by such firms has often been termed on of financial capitalism”. Chandler 1977, p. 9.
“In many modern business enterprises neither bankers nor families were in control. Ownership became widely scattered. The stockholders did not have the influence, knowledge, experience, or commitment to take part in the high command. Salaried managers determined long-term policy as well as managing short-term operating activities. They dominated top as well as lower and middle management. Such an enterprise controlled by its managers can properly be identified as managerial, and a system dominated by such firms is called managerial capitalism”; Chandler 1977, p. 10.
Daarnaast raakte het aandeelhoudersbestand steeds verder gefragmenteerd.
Landry 1995, p. 118, 121. Zie ook James e.a. 1926.
Baker 1929, p. 198. Zie ook Wells 2010, p. 707-709.
Een derde mogelijke reden voor de opkomst van winstdelingen kan gevonden worden in het feit dat door de ontwikkeling van de effectenmarkt bestuurders meer macht verwerven. Zij hoeven niet meer te onderhandelen met banken, familie of vrienden om aan kapitaal te komen, maar kunnen een beroep doen op de financiële markten. De economie waarbinnen de ondernemingen opereren, is geëvolueerd van ‘family capitalism’,1 via ‘financial capitalism’2 naar ‘managerial capitalism’.3 Aandeelhouders kunnen steeds meer tevreden worden gehouden met een redelijk constant rendement op hun investering in plaats van dat zij alle overgebleven winst opeisen na het betalen van de (loon)kosten. Aandeelhouders zijn derhalve steeds meer tevreden met de ‘wages of capital’.4 Hierdoor draaien de rollen om. Het is niet meer het kapitaal dat de bestuurder inhuurt, maar de bestuurder die gebruikmaakt van beschikbaar kapitaal.5 De disciplinerende werking van de financiële markten brokkelt steeds verder af en bestuurders worden minder afhankelijk van kapitaalverschaffers. Bestuurders kunnen daardoor een groter deel van de winst voor zichzelf opeisen zonder dat aandeelhouders hiertegen bezwaar zullen maken. Daar komt bij dat voor het uitkeren van winstdelingen niet de goedkeuring van aandeelhouders vereist is. Aandeelhouders worden vaak zelfs niet op de hoogte gebracht van het bestaan van winstdelingen.6