Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.4.4:5.4.4 Opvattingen van officieren van justitie over strafdoelen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.4.4
5.4.4 Opvattingen van officieren van justitie over strafdoelen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200774:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Meestal is gekozen deze term te gebruiken in deze studie, in plaats van ‘resocialisatie’. Van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ kan ook sprake zijn in een niet-strafrechtelijk traject.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de interviews met officieren van justitie blijkt dat zij een combinatie van strafdoelen gewenst vinden. Dat betekent voor sommigen van hen dat van uitgesproken eigen voorkeuren voor bepaalde strafdoelen geen sprake is. Soms werd tijdens het interview zelfs gevraagd welke strafdoelen er zijn. Ook komt onder officieren van justitie de opvatting voor dat door strafrechtstoepassing slechts beperkte invloed op de criminaliteit kan worden uitgeoefend. Tegelijkertijd blijkt uit de interviews dat net als voor veel politiemensen, voor een deel van de officieren geldt dat het strafrecht juist wel een substantiële bijdrage moet leveren aan het tegengaan van criminaliteit. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen officieren van justitie die ‘positieve gedragsbeïnvloeding’1 of juist een ‘harde aanpak’ vooropstellen (vgl. De Keijser, 2000: 184; zie ook hoofdstuk 2).
Een deel van de officieren lijkt vooral gericht op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’. Het doel dat deze officieren zoveel mogelijk voor ogen willen houden is uiteindelijk recidive te voorkomen. Daarbij kan het inzetten van strafrechtelijke interventies nodig worden geacht, soms wordt gedacht aan een traject buiten het strafrecht. Een ander deel van de officieren van justitie is in plaats daarvan meer op strafdoelen gericht die hiermee op gespannen voet kunnen staan: vergelding, afschrikking en incapacitatie. Deze categorie officieren ervaart regelmatig een verschil van opvatting met de reclassering en de rechters. De betreffende officieren van justitie staan een hardere aanpak voor, hetgeen volgens henzelf te maken heeft met beperkt vertrouwen in mogelijkheden om recidive te voorkomen. Zij sluiten zich aan bij de kritiek van politiemensen dat in de strafrechtspraktijk minder de nadruk zou moeten liggen op speciale preventie en resocialisatie en dat meer aandacht gewenst is voor de vergelding die slachtoffers zouden wensen, het belang ‘helder de norm te stellen’ (afschrikking) en voor het incapacitatie-effect: ‘Als behandeling geen zin heeft, moet je ze straffen en zo lang mogelijk. Zodat de maatschappij verschoond blijft.’ Zoals eerder opgemerkt zijn veel officieren positief over de ISD-maatregel, met name vanwege het opsluitingseffect.
‘Incapacitatie is zeker geen ondergeschoven kindje. De hele veelplegersaanpak is voor een deel daarop gericht. Het zou mooi zijn als daarmee ook nog resocialisatie wordt gerealiseerd, maar we zijn het probleem [met de ISD] in ieder geval voor twee jaar kwijt. Komt hij daarna met problemen terug, dan hoppatee kan hij weer lekker twee jaar krijgen. Het heeft veel effect als je kijkt naar de daling van de criminaliteitscijfers. Dat ligt geheid aan de veelplegersaanpak.’
Sommige officieren zijn van opvatting dat ‘het belang van de samenleving’ onvoldoende wordt gediend doordat soms niet hoog genoeg wordt gestraft. Daarbij dient strafrechtstoepassing in hun ogen eigenrichting door burgers te voorkomen.
‘De rechtbank kan weleens iets te veel rekening houden met persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het maatschappelijk belang mag zwaarder wegen: dat vinden wel meer officieren. Het hangt overigens wel van de rechter of de [samenstelling van] de rechtbank af. (…) Bij een overlast gevende veelpleger vind ik de rechtbank soms te soft. Er speelt ook wel wat naïviteit bij. Dat is een gouden regel: zo gauw een drugsverslaafde veelpleger vast komt te zitten, dan wil hij opeens overal aan meewerken, dan wil hij afkicken en naar de kliniek en meewerken met de reclassering. Met name rechters, maar ook sommige officieren gaan daar dan toch maar weer in mee: “Hij heeft nu toch echt te kennen gegeven dat hij wil meewerken aan een ambulant traject.” Dat zal op dat moment ook wel zo zijn: “Kut, kut, kut, ik wil dit zelf ook allemaal niet en ik heb ook geen zin in dit gezeur.” Ik denk ook niet dat iemand graag drugsverslaafde wil blijven. Maar je merkt toch dat zodra iemand op straat komt te staan, in een ambulant kader, met reclasseringstoezicht, of begeleid wonen, dat dat onvoldoende is en dat men dan toch weer terugvalt.’
Een deel van de officieren meent dat ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ te veel wordt benadrukt en beschouwt dat als ‘naïef’ en contraproductief. Zo is een officier van justitie op grond van zijn eigen verwachtingen van de strafrechtspleging niet te spreken over hoe een deel van zijn collega’s en een deel van de rechters volgens hem opereren op basis van ‘wishful thinking’. Hij zou ook vaker dan de reclassering menen dat speciale preventie niet haalbaar is:
‘Er ligt een bovenmatige nadruk op speciale preventie. Dat is vaak wishful thinking, bij zowel officieren als rechters. (…) Je kan dan wel blijven hopen dat het kwartje is gevallen en dat het een succes zal worden, maar soms is het beter om nuchter te zijn, helder de norm te stellen en te zeggen: “Sorry vriend, je hebt je kans gehad. Wij gaan je nu afstraffen en als je zo’n hulpvraag hebt, ga je dat maar regelen. Maar wij gaan dat niet meer faciliteren.” Ik zeg ook weleens dat ik de hoop heb opgegeven. De advocaat is daar dan soms helemaal verontwaardigd over.’
Officieren die vergelding, afschrikking en incapacitatie meer benadrukt willen zien, denken hierbij vooral aan veelplegers die verschillende vormen van kleine criminaliteit plegen. Echter, ook de mate waarin strafrechtelijke reacties op zware criminaliteit op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ zijn gericht, roepen onder sommige officieren negatieve reacties op. Een mensenhandelofficier:
‘Het moet punitief! Gewoon keihard afstraffen. Ik vind ook dat het preventief werkt, doordat je mensen uit de samenleving haalt. Je kunt er ook weinig mee doen. Het zijn bijna allemaal psychopaten, vaak met ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornissen. Daar is geen eer aan te behalen [voor de strafrechtspleging]. Een aantal horen op de longstay. Het zijn gewoon gevaarlijke mensen en het hele idee van resocialiseren moeten we eens loslaten bij sommige mensen. Die zijn niet te resocialiseren, want die zijn niet sociaal.’
Zoals eerder aangegeven klinkt in de opvattingen van sommige officieren van justitie punitief pragmatisme door, net zoals bij politiemensen het geval was. Een kritische opvatting over kwaliteit en kwantiteit van reclasseringswerk en hulpverlening blijkt (mede) ten grondslag te liggen aan de voorkeur voor ‘straf’ in plaats van ‘hulp’:
‘De reclassering is vaak geneigd het nog een keertje te proberen: [verdachte] zegt dat hij het wil. Daar begint het meestal mee. Ze hebben een beperkt budget en ze schieten met een soort hagelgeweer. Ze schrijven ontzettend veel rapporten en doen heel veel toezicht. Je hebt [als reclasseringswerker] een caseload van 25 gevallen heb ik begrepen. Wat kan je dan doen? Ik heb gehoord van een medewerker dat die soms maar één begeleidingsgesprek per maand kan houden. Misschien moet je het dan niet op 25, maar op 5 kansrijke gevallen richten. (…) Ik vind dat we af en toe wat meer keuzes moeten maken: “Bij jou zie ik het gebeuren en daar gaan we in investeren.” En bij anderen: “Wij gaan jou afstraffen en als je het allemaal zo goed weet laat het dan zien.” Die keuzes worden niet gemaakt.’
Onder de geïnterviewde officieren is een voorkeur voor een ‘harde aanpak’ zeker geen uitzondering. Toch zijn officieren van justitie in het algemeen minder sceptisch over mogelijkheden om recidive te voorkomen dan politiemensen. Veel officieren van justitie willen in eerste instantie een delinquent ‘niet afschrijven’, zeggen bijvoorbeeld dat ‘de oplossing er niet in zit om ze zolang mogelijk op te sluiten’ en dat strafrechtelijk optreden in beginsel op speciale preventie gericht moet zijn. Daarmee wordt bedoeld dat zij zoveel mogelijk de kansen voor de delinquent willen bevorderen uiteindelijk op normale wijze aan de samenleving deel te nemen. Zo lijken officieren van justitie het vaker dan politiemensen als een goed resultaat te beschouwen als een verdachte in plaats van een onvoorwaardelijke straf een aantal voorwaarden gekoppeld aan een voorwaardelijke straf krijgt opgelegd.
‘Stel een jongere wordt vervolgd voor een simpel feit, een diefstal uit een winkel. In het dossier zit informatie, daarover zijn veel zorgen. Er is bijvoorbeeld sprake van verkeerde criminele vrienden. Daar kun je in de strafmaat niet zo heel veel mee. Ik kan daardoor mijn strafeis niet gaan verdubbelen. Je denkt alleen wel: “We zullen meer hulp moeten inschakelen om de jongere te monitoren, te begeleiden.” Als je daar als politieman naar kijkt dan vind je een voorwaardelijke straf misschien slap, maar daar zit wel een gedachte achter: je wilt de jongere behoeden voor andere misstappen, zonder meteen te willen vergelden.’
Er zijn ook officieren van justitie die zich zorgen maken over de beperkte mate waarin de strafrechtspleging tegenwoordig bijdraagt aan duurzame oplossingen voor criminaliteit en overlast. Volgens een geïnterviewde officier is er geen gebrek aan effectieve strafrechtelijke instrumenten, maar is de dominante ‘cultuur’ binnen het OM gebaseerd op ‘eisen, vorderen en bevelen’ en wordt als gevolg daarvan te weinig gezocht naar passende ‘ondersteuning’, als alternatief voor straffen of als aanvulling daarop.
‘Ik denk dat straffen sec niet zoveel oplost. Ik denk dat er naast straf ook altijd ruimte moet zijn voor andere trajecten om mensen te helpen of te dwingen, om duurzaam anders met hun leven om te gaan. (…) Als je wilt zijn er mogelijkheden genoeg, maar ik denk dat we pas aan het begin staan van een verandering. Maar dat is een heel taai proces volgens mij. De wereld om ons heen zal veranderen, ik denk niet dat de revolutie wordt ontketend door mensen vanuit de rechterlijke macht. Het strafrecht moet meer als een [klein] onderdeel gezien worden bij het aanpakken van problemen. Bijvoorbeeld bij jeugdigen die strafbare feiten plegen, daar is het al meer gericht op dat iemand iets van zijn leven moet kunnen maken. Dus de straffen zijn lager en er is meer ondersteuning. Datzelfde kun je volgens mij bij volwassenen ook wel doen. Waarom dat weinig gebeurt, is denk ik een cultuuraspect. Dat heeft te maken met wat je als OM op zitting doet. Wij eisen, vorderen, bevelen en dat is heel directief.’
Meerdere officieren van justitie tonen zich tijdens de interviews kritisch over de mate waarin door het strafrecht een bijdrage wordt geleverd aan ‘positieve gedragsbeïnvloeding’, aangezien ‘gedrag met de klassieke regels lastig is te veranderen’. Dit zou in deze opvatting beter kunnen gebeuren met minder of geen straf (al is dat volgens officieren van justitie vaak niet wat de samenleving wenst). In plaats van straf zouden bijvoorbeeld ‘de drie gouden W’s’ uitgangspunt moeten zijn: ‘werk, woning, en – vroeger was dat ook nog weleens wijf – wederhelft’. Een officier van justitie zit het dwars dat de strafrechtspleging te veel nadruk zou leggen op straf, gezien de psychische problematiek van veel delinquenten.
‘Psychische problematiek kenmerkt een groot deel van de mensen die met justitie in aanraking komen. Ik vind het een probleem dat onze straffen er erg op gericht zijn dat als je het ene doet, je een bepaalde sanctie krijgt, en doe je het nog een keer dan krijg je bijvoorbeeld het dubbele. Terwijl sommige minderjarigen of mensen met een laag IQ helemaal niet gevoelig zijn voor straf. Zij zijn niet opvoedbaar of je moet er een zeer langdurige ISD-maatregel op loslaten. Of ze moeten in een beschermde woonomgeving ondergebracht met een strakke begeleiding. Naarmate je dit werk langer doet wordt het steeds frustrerender om te zien.’
Een deel van de officieren van justitie meent dat het strafrecht slechts in beperkte mate invloed kan uitoefenen op de oorzaken van crimineel gedrag. Soms is daaraan de opvatting gekoppeld dat terughoudend omgegaan moet worden met straffen, ook als speciale preventie niet erg kansrijk lijkt (vgl. Kelk, 2007: 198). In deze opvatting is strafrechtelijk optreden niet alleen gericht op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’, het is hierop ook zoveel mogelijk afgestemd. Andere doelen worden niet erg zinvol geacht.
‘Voor een deel moet je het gedrag van mensen accepteren. Je ondervangt dat niet. (…) Ergens komt het moment, als iemand al een paar keer drie maanden is opgesloten en hij doet het weer, dat de vraag is welke meerwaarde het heeft die draaideur op gang te houden. Probeer het dan met iets anders. De meerwaarde van het strafrecht is beperkter dan wij lange tijd gedacht hebben. Het strafrecht is erg prominent geworden in de handhaving, (…) maar dat is geen oplossing van het probleem, enkel symptoombestrijding.’
‘Er komen mensen voorbij waarbij ik denk: geen straf is hoog genoeg. Sommigen komen gewetenloos over. Maar het gros is wat mij betreft een ander verhaal. Je hebt ook het probleem van een laag IQ. Mensen zijn soms totaal onmachtig om een normaal leven te leiden en die uitkering aan te vragen, een woning vast te houden en iets van een netwerk op te bouwen. Dat is ook wel een soort ellende en hopeloosheid. Je gaat dat met gevangenisstraf niet oplossen. Het strafrecht biedt natuurlijk wel iets; we kunnen iets met reclassering en we kunnen iets met voorwaarden. Als iemand dan bijvoorbeeld drie kansen heeft gehad, houdt het natuurlijk op een bepaald moment ook wel een keer op. Tenminste vanuit het strafrecht, met die persoon niet natuurlijk.’