Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/5.5.2.2.1
5.5.2.2.1 Erfstelling ten behoeve van de opvolgend certificaathouder
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957928:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Janssen 2019, paragraaf 10.5.1.4, Burgerhart 2005-2, paragraaf 1.3 en 3.2.2.1 en Burgerhart 1999, paragraaf 3.
Zie ook Burgerhart 2005-2, paragraaf 3.2 en paragraaf 3.4.1.
Zie paragraaf 5.3.3.1 met betrekking tot overdrachtsbeperkende maatregelen bij certificaten.
Ook andere natuurlijke personen of rechtspersonen zijn uiteraard mogelijk. Wat met betrekking tot de mogelijkheden voor uiterste wilsbeschikkingen ten aanzien van de partner en de afstammelingen wordt geschreven, geldt in beginsel ook voor andere personen.
Zolang het maar een uiterste wilsbeschikking is waarbij er een vorderingsrecht wordt toegekend aan de bevoordeelde. (Boelens 2015, paragraaf I.4.3.6.) Zie voor voorbeelden van mogelijke legaten Boelens 2015, paragraf I.5 en meer specifiek in het kader van estate planning: Mellema-Kranenburg 2016, paragraaf 8.1.2, 8.1.10 en 8.3.
Uit de statuten van de stak en de administratievoorwaarden moet wel voortvloeien dat de vestiging van een vruchtgebruik op de certificaten mogelijk is. Ook kan uit de statuten of de administratievoorwaarden voortvloeien dat de vestiging van een vruchtgebruik mogelijk is, maar enkel onder bepaalde voorwaarden. Zie paragraaf 5.3.3.2 over de mogelijkheid tot het vestigen van beperkte rechten op certificaten.
Art. 3:215 BW.
Een discussie over wat een ‘gelijk deel’ exact inhoudt kan hierbij ontstaan.
In Boek 4 BW zijn als uiterste wilsbeschikkingen onder meer erfstellingen en legaten opgenomen. Beide uiterste wilsbeschikkingen kunnen ingezet worden door de certificaathouder om de certificaten bij een door hem gewenste nieuwe rechthebbende(n) terecht te laten komen.1 In deze paragraaf wordt de erfstelling besproken.
De erfstelling staat omschreven in art. 4:115 BW. Het is “een uiterste wilsbeschikking, krachtens welke de erflater aan één of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat”. Het rechtsgevolg van erfstelling is, dat bij overlijden van de certificaathouder al zijn rechten en plichten van rechtswege en onder algemene titel overgaan op zijn erfgenamen.2 Dit wordt ook ‘saisine’ genoemd. De saisine wordt in Boek 4 omschreven in art. 4:182 BW. De erfgenamen van de certificaathouder worden daarmee rechthebbenden van de certificaten die in de nalatenschap zitten. Zijn er meer erfgenamen, dan zal de nalatenschap verdeeld moeten worden. Na de verdeling is duidelijk wie de uiteindelijk rechthebbende(n) van de certificaten is/zijn.
Een reden om gebruik te maken van de erfstelling is dat er na het overlijden van de certificaathouder geen overdracht hoeft plaats te vinden.3 Door de overgang van rechtswege komen de certificaten die in de nalatenschap vallen bij de erfgenamen terecht zonder dat daarvoor rechtshandelingen nodig zijn. Dat kan als voordeel hebben dat bepaalde overdrachtsbeperkende maatregelen geen effect hebben.4 Een overdrachtsbeperkende maatregel die in de statuten of de administratievoorwaarden is opgenomen, heeft geen effect bij de overgang onder algemene titel naar de erfgenamen. Wat eventueel wel mogelijk is, is dat een aanbiedingsplicht of een kwaliteitseis ertoe leidt dat een erfgenaam genoodzaakt wordt om de certificaten aan andere certificaathouders aan te bieden. Omdat in dit deel van het onderzoek gewerkt wordt met het uitgangspunt dat er één certificaathouder is, zal op die mogelijkheid hier niet verder worden ingegaan.
Stel dat de certificaathouder één afstammeling voor ogen heeft die de certificaten na de dood van de erflater zou moeten ontvangen. Hij kan dan besluiten om dit kind tot zijn enig erfgenaam te benoemen. Het is echter goed mogelijk dat de certificaathouder daarnaast nog meer personen om zich heen heeft aan wie hij iets wil nalaten. Dit kunnen bijvoorbeeld een partner en één of meer andere kinderen zijn.5 Naast de erfstelling kan de certificaathouder andere uiterste wilsbeschikkingen in zijn testament opnemen om na zijn overlijden de situatie te creëren die aan al zijn doelstellingen voldoet. In het geval van de aanwezigheid van een partner van de certificaathouder, kan hij legaten opnemen ten behoeve van deze partner. In de volgende paragraaf wordt dieper op het legaat en de rechtsgevolgen van het legaat ingegaan. Op deze plek is het relevant om te melden dat de certificaathouder veel vrijheid heeft bij de inkleding van de legaten.6 Dit kan gaan van een legaat van een vastgesteld geldbedrag tot een legaat van vruchtgebruik van (een deel van) de nalatenschap. Een legaat van vruchtgebruik van de certificaten behoort ook tot de mogelijkheden. In dat geval wordt de erfgenaam bloot eigenaar van de certificaten en komen de vruchten van de certificaten aan de langstlevende partner toe. Op die manier kan worden bewerkstelligd dat de langstlevende partner gedurende zijn of haar leven gebruik kan maken van de revenuen die van de certificaten afkomstig zijn, zonder dat het economisch belang definitief aan hem of haar toekomt. De certificaathouder kan de inhoud van het vruchtgebruik naar eigen wens vormgeven in zijn uiterste wil.7 Zo kan hij bepalen in hoeverre de vruchtgebruiker de bevoegdheid heeft om de goederen waarop het vruchtgebruik rust te vervreemden en te bezwaren.8
Net zoals het legaat aan de langstlevende partner, kan de certificaathouder ook legaten opnemen ten behoeve van de kinderen die niet tot erfgenaam zijn benoemd. Dit kunnen legaten in de vorm van geldvorderingen zijn, maar ook legaten van bepaalde goederen uit de nalatenschap zijn mogelijk. Op die manier heeft de certificaathouder de mogelijkheid dat alle kinderen zoveel als mogelijk een gelijk deel uit de nalatenschap ontvangen.9 In de volgende paragraaf wordt verder op het opstellen van legaten ingegaan.