Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.2.3
6.3.2.3 De éénjaarstermijn
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494566:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Anders dan art. 29 lid 2 Wet OB 1968 is de éénjaarstermijn van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) niet expliciet beperkt tot de categorie niet-betaling. Dit ligt echter wel in de rede en volgt mijns inziens impliciet uit het woord ‘betaald’.
Scherpslijpers zouden namelijk kunnen beweren dat het (ook in gevallen van faillissement) zelden tot nooit onomstotelijk vaststaat dat de vergoeding niet meer zal worden betaald. In gelijke zin: Van Vliet 1983, p. 1381. Hierbij moet worden opgemerkt dat dit argument naar mijn idee geen hout snijdt, omdat de Belastingdienst de mogelijkheid zou moeten toekomen om reeds bij een redelijke mate van waarschijnlijkheid omtrent te oninbaarheid te belastingplichtige te confronteren met een naheffingsaanslag (zie paragraaf 6.3.2.1.2).
Rechtsvraag Teruggaaf, V-N 1989/2890, 28.
Nieuw ten opzichte van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) is dat art. 29 lid 7 Wet OB 1968 bepaalt dat de herzieningscorrectie in ieder geval moet worden gemaakt bij het verstrijken van de periode van één jaar na de opeisbaarheid van de vergoeding, voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald.1 Onder art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) bedroeg deze termijn twee jaren. Het ligt in de rede dat de ratio voor de termijn te zoeken is in het feit dat de wetgever de debiteur niet de ruimte willen laten om in lengte van jaren vol te houden dat er heus nog weleens zal worden betaald,2 om aan de verschuldigdheid van de belasting te ontkomen.3
6.3.2.3.1 Fataal karakter6.3.2.3.2 Opeisbaarheid van de vergoeding