Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.2.1.2
3.2.1.2 Eerste aanloop naar een regeling
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS622182:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken /7 2003/04, 28 851, nr. 30. Deze wijziging hield onder meer verband met de implementatie van een nieuw Europees geharmoniseerd regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en — diensten.
Kamerstukken II 2003/04, 29 387, nr. 1.
Kamerstukken 11 2003/04, 29 387, nr. 3.
Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter uitvoering van richtlijn nr. 2003/54/EG, (PbEG L 176), verordening nr. 1228/2003 (PbEG L 176) en richtlijn nr. 2003/55/EG (PbEG L 176), alsmede in verband met de aanscherping van het toezicht op het netbeheer (kortweg• Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer).
Kamerstukken 11 2003/04, 29 372, nr. 11, p 24-25.
Kamerstukken // 2003/04, 29 372, nr. 29.
Kamerstukken // 2003/04, 29 372, nr. 48.
Kamerstukken // 2003/04, 29 372, nr. 52, p. 22.
De generieke regeling geldt voor zowel onder- als bovengrondse leidingen. De ondergrondse netten gaven in beginsel echter de meeste discussie of lever(d)en qua eigendomsvraag de meeste moeilijkheden op.
Kamerstukken 12003/04, 29 372, C.
Een van de eerste pogingen om een (duidelijker) wettelijk kader te scheppen voor netten was het amendement dat door Kamerlid Blok werd ingediend bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Tw1 dat ten tijde van het wijzen van de kabelarresten behandeld werd. Bedoeld amendement hield in dat aan artikel 5.6 Tw (oud) werd toegevoegd dat telecomkabels roerende zaken zouden zijn. Het idee hierachter was de uitkomst van de kabelarresten, te weten de onroerende status van telecomkabels, onwenselijk was voor het bedrijfsleven. Omdat, volgens Blok, kabels sinds het begin van de vorige eeuw in het algemeen als roerende zaken werden beschouwd, zou het predicaat 'onroerend' de dynamiek van de markt ernstig belemmeren. Overdracht en financiering van kabels zou onevenredig bemoeilijkt worden omdat financiering uitsluitend onder hypothecaire zekerheid zou kunnen plaatsvinden. De minister van EZ verzocht het betreffende amendement niet in stemming te brengen omdat gelet op de complexiteit van het onderwerp apart op deze kwestie terug zou worden gekomen. In een brief bevestigde de minister2 aan de kamer dat de zaak gecompliceerd was, maar dat niet op voorhand kon worden gesteld dat de civielrechtelijke gevolgen van de kabelarresten konden worden teruggedraaid door aanname van het door Blok ingediende amendement. In een volgende brief aan de Tweede Kamer gaf de minister3 te kennen dat ten aanzien van het onroerende karakter van andere netwerken een wijziging zou moeten worden aangebracht in diverse specifieke wetten zoals de Gas- en Elektriciteitswet. Hierbij ging de minister (vooralsnog) uit van het onroerende karakter van netwerken, aangezien dit de transparantie met betrekking tot de eigendomssituatie van netwerken ten goede zou komen. Bij wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet4 werd in de betreffende wetten, analoog aan artikel 5.6 Tw (oud), een artikel toegevoegd waarin de doorbreking van de verticale natrekking was opgenomen. Aan de Elektriciteitswet 1998 (artikel 9b) en de Gaswet (artikel la) zou een artikel worden toegevoegd dat luidde: 'De eigendom van een (gastransport)net dat is aangelegd in of op grond dan wel in of aan gebouwen van anderen, berust bij degene die het net heeft aangelegd dan wel bij diens rechtsopvolger. ' In de toelichting werd hierover opgemerkt dat het voorgaande betekende dat er geen afzonderlijke rechten van opstal voor energienetten gevestigd hoefden worden en tevens dat de rechtstoestand van een net niet afhankelijk zou zijn van de instemming van de grondeigenaren. In het belang van een goede en betrouwbare energievoorziening en vanwege de aanzienlijke lasten die het vestigen van talloze rechten van opstal voor energiebedrijven zouden meebrengen, zou in deze sector wettelijke doorbreking van de verticale natrekking ook gewenst zijn.5 Bij behandeling van het betreffende wetsvoorstel werd door Hessels en Crone6 een amendement ingediend waarin zij voorstelden om de sectorspecifieke regeling in de Gas- en Elektriciteitswet te laten vervallen voor een generieke regeling in artikel 5:20 BW. Een generieke bepaling in het Burgerlijk Wetboek zou wenselijk zijn aangezien er sprake was van een toenemende onduidelijkheid over de eigendom van leidingnetten, mede ten gevolge van gerechtelijke uitspraken, en tevens omdat leidingnetten een grote economische waarde zouden vertegenwoordigen. De leden stelden de volgende toevoeging aan artikel 5:20 BW voor: 'In afwijking van het eerste lid, berust de eigendom van een samenstel van een of meer leidingen en de daarbij behorende hulpmiddelen gelegen in, op of boven de grond van anderen bij degene die deze leidingen en hulpmiddelen heeft aangelegd dan wel bij diens rechtsopvolger, behoudens voor zover die leidingen en hulpmiddelen zijn gelegen in gebouwen of werken van een ander.' In het voorstel lag besloten dat de eigendom van zelfstandige netwerken bij de aanlegger van het netwerk zou komen te berusten, maar dat hierop een uitzondering geldt voor de tot het netwerk behorende leidingen en hulpmiddelen die zijn gelegen in een gebouw of werk van een derde. De betreffende leidingen en hulpmiddelen die in een gebouw of werk van een derde zijn gelegen behoren toe aan de eigenaar van het gebouw of werk, tenzij de aanlegger van het netwerk een opstalrecht voor die leidingen of hulpmiddelen heeft gevestigd. De minister voelde in beginsel echter weinig voor dit amendement. In de brief aan de Tweede Kamer schreef de minister7 dat een generieke regeling niet zou aansluiten bij de gedefinieerde netwerkbegrippen van de Elektriciteitswet 1998, Gaswet en Tw. Tevens werd in het amendement geen uitzondering gemaakt voor netten die volgens de minister niet onder een zodanige bepaling zouden moeten vallen, zoals waterleidingnetwerken of rioleringstelsels. Ten aanzien van al die — onbenoemde — netwerken was de wenselijkheid van een algemene uitzondering op de natrekkingsregel niet aan de orde geweest. Al met al achtte de minister de bezwaren tegen het amendement te groot en verkoos hij zijn voorstel boven het amendement. Tijdens de mondelinge behandeling lichtte de minister zijn commentaar op het amendement nog verder toe. Zijn keuze voor de regeling in de sectorwetten, in plaats van in het BW, berustte op expliciet overleg over dit punt met het ministerie van Justitie:8
`Bovendien heeft de Hoge Raad een gelijksoortige regeling in de Tw in de kabelarresten goed bevonden. Sectorale bepalingen van deze aard zijn dus effectief gebleken.'
Aangezien diverse leden bleven volharden in een generieke regeling in het BW, zegde de minister toe te bezien of de problematiek alsnog geregeld zou kunnen worden in een generieke bepaling in het BW. Bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel betreffende de sectorwetten in de Eerste Kamer werd door de minister aangegeven dat de sectorspecifieke regeling zou vervallen ten gunste van een nader te ontwerpen voorstel dat de doorbreking van de verticale natrekkingsregel generiek regelt voor alle (ondergrondse)9 kabels en leidingen. Een allesomvattende regeling zou toch in het BW thuis horen. Toegezegd werd om in 2005 een wetsvoorstel op dit punt voor indiening bij de Tweede Kamer gereed te hebben.10