Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.10:2.10 Slot
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.10
2.10 Slot
Documentgegevens:
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS586124:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Doel van dit hoofdstuk was om te bezien of de in het vorige hoofdstuk gevonden visie op redelijkheid en billijkheid als dwingende gedragsnorm voor partijen wellicht bij zou kunnen dragen tot een beter begrip van het verschijnsel van contractuele gebondenheid en wellicht voor dat verschijnsel zelfs een verklaring kan bieden.
In dit kader werden allereerst de vanouds bekende klassieke gebondenheidsleren op hun deugdelijkheid onderzocht. Geconstateerd werd dat het begrippentrio wil, verklaring en vertrouwen geen geschikte basis vormt om genoemde gebondenheid te verklaren. Hetzelfde bleek evenwel te moeten worden gezegd van de alternatieve gebondenheidsleren die in de afgelopen decennia door respectievelijk Hijma, Smits en Nieuwenhuis werden ontwikkeld. Ook de gebondenheidsvisies van de prominente Anglo-Amerikaanse rechtsgeleerden Fried en Atiyah overtuigden niet: Fried's visie op gebondenheid bleek in wezen op een cirkelredenering te berusten, nu de verbindende kracht van de belofte werd verklaard vanuit het gebruikmaken van de "conventie van het beloven". Voorts bleek in Fried's belofteleer niet duidelijk welke belofte nu bindt en welke niet. Ook de belofteleer van Atiyah wist niet te overtuigen. Gebondenheid bleek in Atiyah's visie voort te vloeien uit bepaalde omstandigheden (verkregen voordelen, opgewekt vertrouwen), niet uit de belofte zelf. Consequentie van deze visie bleek te zijn dat sommige contracten, hoewel gesloten, in wezen niet binden. Daarmee bleek zijn leer in zeker opzicht neer te komen op een leer van contractuele ongebondenheid. Daarnaast leverde zijn denken in termen van "benefit" en "reliance" geen grondslag op voor gebondenheid in abstracte.
De opvattingen van de Duitse dogmatici Flume en Larenz bleken daarentegen vruchtbare kiemen op te leveren voor het lanceren van een eigen opvatting over gebondenheid: niet de autonomie van partijen, maar de rechtsgemeenschap beslist over gebondenheid Het bleek de rechtsgemeenschap te zijn die — via de in hoofdstuk 1 centraal gestelde dwingende gedragsnorm van redelijkheid en billijkheid aan partijen de eis van gebondenheid aan het overeengekomene oplegt. De eis van gebondenheid aan de overeenkomst bleek een algemeen erkende, in de redelijkheid en billijkheid verankerde eis van behoorlijk en fatsoenlijk handelen. Geconstateerd werd voorts dat de rechtsgemeenschap tevens bij machte is — opnieuw via de redelijkheid en billijkheid — in bijzondere gevallen de band met het overeengekomene weer op te heffen en wel door middel van de dwingendrechtelijke en van rechtswege werkende norm van art. 6:2 lid 2/6:248 lid 2 BW. Gebondenheid en opheffing daarvan bleken daarmee door één en dezelfde norm te worden beheerst.
Voorts werd ingegaan op de vraag op welke wijze de gebondenheid aan het overeengekomene gestalte krijgt. Geconstateerd werd dat partijen de hen door de precontractuele redelijkheid en billijkheid toebedeelde contractsvrijheid op verschillende wijzen geheel dan wel gedeeltelijk kunnen verspelen. De ultieme manier van het verspelen van contractsvrijheid is die van de instemming met de overeenkomst. Doet een partij door haar gedrag aan haar wederpartij blijken zich te willen binden, dan is zij gebonden, niet omdat de wederpartij op haar wil heeft mogen vertrouwen, maar omdat de rechtsgemeenschap — via de norm van de redelijkheid en billijkheid — van de verklarende eist om zich gebonden te weten op de wijze zoals deze zijn wil jegens zijn wederpartij heeft kenbaar gemaakt.
Vervolgens werd aangetoond dat de artt. 3:33 BW en 3:35 BW ook bij aanvaarding van de hier gekozen grondslag van gebondenheid hun waarde behouden. Opgemerkt werd dat uit de parlementaire geschiedenis bovendien kan worden afgeleid dat de redactie van deze artikelen geen keuze of voorkeur van de wetgever suggereert voor een bepaalde grondslag voor gebondenheid. De vraag naar deze grondslag is "nadrukkelijk overgelaten aan de doctrine".
Tenslotte werd opgemerkt dat de vraag op welke grondslag de overeenkomst tot stand komt, niet los kan worden gezien van de vraag hoe zij moet worden uitgelegd. Beide vragen lopen in elkaar over: de beantwoording van de vraag of respectievelijk in hoeverre een overeenkomst tot stand is gekomen, kan niet geschieden zonder uitleg van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard. Vergelijking van het arrest Bunde/Erckens met het Haviltex-arrest maakte duidelijk dat zowel uitlegvragen als vragen van totstandkoming langs normatieve weg moeten worden beantwoord. In beide gevallen komt het niet aan op de feitelijke vraag hoe partijen elkaars verklaringen en gedragingen hebben opgevat, maar op de normatieve vraag hoe partijen in de gegeven omstandigheden elkaars verklaringen en gedragingen over en weer in redelijkheid, d.w.z. als fatsoenlijke en behoorlijke lieden, behoorden op te vatten.