Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.7.3:4.7.3 Achtergronden
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.7.3
4.7.3 Achtergronden
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200743:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Behalve een duidelijke bevestiging van de resultaten van de interviews, maakt de uitgevoerde enquête duidelijk dat politiemensen lang niet allemaal dezelfde opvattingen hebben over het functioneren van het strafrecht. Tegelijkertijd lijkt er in de kritische opvattingen van politiemensen wel een patroon aanwijsbaar. Uit de enquête blijkt hoezeer het perspectief van politiemensen zich vaak tot het politiewerk beperkt.
Ten eerste speelt een gebrek aan kennis over het strafrechtelijk vervolg hier een rol bij. Aan politiemensen is gevraagd hoeveel informatie zij hebben over wat er binnen de strafrechtsketen gebeurt. Bijna de helft (45%) van hen zegt alleen zicht te hebben op wat de politie zelf doet. Slechts één op de tien zegt ook zicht te hebben op wat rechters doen. Zelfs van de rechercheurs blijkt tweederde (67%) geen zicht te hebben op het functioneren van rechters. Opmerkelijk is dat er geen statistisch significant verband bestaat tussen de mate van kritiek van politiemensen op het functioneren van het strafrecht en de mate waarin zij daarop zicht hebben.1 Dit suggereert dat het negatieve oordeel van politiemensen over het functioneren van het strafrecht minstens gedeeltelijk verband houdt met beeldvorming, gebaseerd op bijvoorbeeld negatieve verhalen die rondzingen onder politiemensen.
Ondanks de beperkte informatie die politiemensen hebben over het strafrechtelijk vervolg in zaken die ze behandeld hebben, blijken zij toch (kritisch) te oordelen over de strafrechtspleging. Gezien het beperkte zicht dat veel politiemensen hebben, lijkt het erop dat enkele negatieve ervaringen al een groot effect hebben op de opvattingen van politiemensen over dit onderwerp. Eigen ervaringen met concrete zaken waarin strafrechtelijke reacties ontbraken of onvoldoende waren, blijken statistisch samen te hangen met de kritiek die men heeft op de strafrechtsketen.2
Ten tweede hangt de onvrede samen met de vaak gebrekkige samenwerking en samenhang in de strafrechtsketen. De terugkoppeling vanuit het OM naar de politie blijkt in veel gevallen gebrekkig, zeker waar het gaat om informatie en uitleg over beslissingen die zijn genomen in minder zware zaken. Hoewel politiemensen tijdens de interviews vaak aangeven (na verloop van tijd) geen behoefte meer te hebben aan dit soort informatie, lijkt veel onvrede toch te herleiden tot de grote afstand tussen politie en rechterlijke macht. Politiemensen klagen erover dat vertegenwoordigers van OM en vooral rechters onvoldoende inzicht zouden hebben in de context waarin delicten plaatsvinden en waarin zij hun dagelijks werk moeten doen. Het gaat hen er daarbij voornamelijk om dat niet zou worden ‘aangevoeld’ wat er speelt, omdat het bredere zicht ontbreekt op hoe een wijk of buurt, een jongerengroep of bijvoorbeeld een familie ‘functioneert’.
Ten derde lijkt de onvrede onder politiemensen deels samen te hangen met de opvattingen die zij hebben over de functies van het strafrecht (zie ook 4.4.6). Politiemensen beoordelen het strafrecht tijdens de interviews vooral op instrumentele waarde op korte termijn: wat kan het bijdragen aan de bestrijding van criminaliteit of aan de rust in de wijk? Bescherming van de verdachte door het strafrecht lijkt bij veel geïnterviewde politiemensen minder sterk te leven.
Politiemensen kennen niet vaak grote waarde toe aan resocialisatie als functie van het strafrecht (slechts 27% van de politiemensen vindt dat strafdoel belangrijk). Men benadrukt vooral twee andere functies, namelijk afschrikking (door harder straffen) en opsluiting (als middel om de samenleving te beschermen tegen kwaadwillenden).
Uit de interviews blijkt hoezeer politiemensen zijn gericht op het oplossen van problemen, waaronder ernstige overlast, criminaliteit of onveiligheidsgevoelens. De politie staat in de ‘frontlinie’ en vangt dagelijks provocerend, overlastgevend en (dreigend) crimineel gedrag op. Overlastmeldingen, aangiftes, verwachtingen en soms frustraties van burgers maken eveneens deel uit van het dagelijkse werk van politiemensen. Vanuit het perspectief dat dit oplevert verwachten ze vervolgens dat het strafrecht hen de instrumenten aanreikt om problemen aan te pakken. In de strafrechtspleging speelt echter ook een ander perspectief. De strafrechtspleging heeft niet tot doel problemen op te lossen, maar moet recht doen door te voldoen aan regels en waarborgen. Zo wordt van politiemensen verwacht informatie aan te leveren die volgens geldende procedures is verzameld.
Op grond van hun beroep, betrokkenheid, rechtvaardigheidsgevoelens of behoefte burgers hun goede wil te tonen, willen politiemensen op zijn minst ‘iets doen’ aan criminaliteit en ervaren overlast. Zij voelen zich regelmatig gefrustreerd en machteloos omdat de strafrechtspleging vaak niet aan hun verwachtingen voldoet of lijkt te voldoen. Zij zien daarbij vaak (te) weinig alternatieven voor strafrechtelijke sancties en voelen zich onvoldoende gesteund door de rechterlijke macht. Door de hier gegeven achtergronden wordt gesuggereerd dat sprake is van een verschil in perspectief tussen politiemensen, officieren van justitie en rechters. Op basis daarvan lijken verschillende verwachtingen te ontstaan en de vraag is welke factoren daarbij een rol spelen. Werkomstandigheden? Betrokkenheid? Rechtvaardigheidsgevoelens? In hoofdstuk 8 zal op deze verschillende perspectieven en de achtergronden daarvan, nader worden ingegaan.