Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.3.2.3
5.3.2.3 Het Auskunft- und Einsichtsrecht in de GmbH
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972039:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Relevante Duitse tekst: “Die Geschäftsführer haben jedem Gesellschafter auf Verlangen unverzüglich Auskunft über die Angelegenheiten der Gesellschaft zu geben und die Einsicht der Bücher und Schriften zu gestatten. (…).”
Schmidt 2021, p. 1254-1255.
Zie par. 4.3.2.3 hiervoor.
Zie Masuch 2022, p. 1118 e.v.; en Schmidt 2021, p. 1245 e.v.
Vgl. Teichmann 2023, p. 121-123.
Relevante Duitse wettekst: “Die Geschäftsführer dürfen die Auskunft und die Einsicht verweigern, wenn zu besorgen ist, daß der Gesellschafter sie zu gesellschaftsfremden Zwecken verwenden und dadurch der Gesellschaft oder einem verbundenen Unternehmen einen nicht unerheblichen Nachteil zufügen wird. Die Verweigerung bedarf eines Beschlusses der Gesellschafter.”
Zie Teichmann 2023, p. 128.
Zie Teichmann 2023, p. 128; Masuch 2022, p. 1116; en Schmidt 2021, p. 1267 e.v.
Zie hierover ook par. 7.3 hierna.
Vgl. Teichmann 2023, p. 129, waarin is betoogd dat verstrekking van concurrentiegevoelige informatie op grond van § 51a lid 2 GmbhG mag worden geweigerd indien deze informatie mogelijk zou worden doorgespeeld aan een concurrent.
Zie Masuch 2022, p. 1122: “Allein der Umstand, dass ein Gesellschafter an einem Konkurrenzunternehmen beteiligt ist, soll nach der Rechtsprechung keinen ausreichenden Grund darstellen, dem Gesellschafter die Einsicht in die Jahresabschlussunterlagen zu verweigern; soweit wettbewerbsrelevante Informationen in Frage stünden, komme ggf. die Entgegennahme der Informationen durch einen Treuhänder in Frage.”; en in gelijke zin Schmidt 2021, p. 1237.
Zie Teichmann 2023, p. 127; Masuch 2022, p. 1116; en Schmidt 2021, p. 1241-1242.
Vgl. Masuch 2022, p. 1122.
Zie onder meer Lutter 1982, p. 1.
Zie onder meer Lennarts 2023, p. 106; Schmidt 2021, p. 1251; en Lutter 1982, p 2 e.v.
In het vorige hoofdstuk heb ik toegelicht dat het recht op inlichtingen ex artikel 2:107/217 lid 2 BW is gebaseerd op het Duitse Auskunftsrecht voor de AG. Het Duitse vennootschapsrecht voorziet ook in een Aunkunfts- und Einsichtsrecht in besloten verhoudingen in de GmbH, de Duitse tegenhanger van de BV. Ik sta hier kort bij stil.
Kort samengevat, hebben aandeelhouders van een GmbH op grond van § 51a lid 1 GmbHG desgevraagd recht op inlichtingen betreffende aangelegenheden van de vennootschap alsmede inzage in diens administratie.1 Dit vraag- en inzagerecht wordt, in tegenstelling tot zijn tegenhanger voor de AG, buiten vergadering uitgeoefend. Hoewel de wettekst de vennootschapsleiding belast met het verstrekken van de informatie, wordt dit gezien als een informatieplicht van de vennootschap.2 Waar het Aukunftsrecht in de AG beperkt wordt uitgelegd,3 komt aan aandeelhouders in de GmbH juist een breed – in principe zelfs onbeperkt – informatierecht toe.4 Dat verschil zal mede zijn te verklaren uit het typologische onderscheid tussen de GmbH als een besloten samenwerkingsverband en de AG als een open samenwerkingsverband.5
§ 51a lid 2 GmbhG voorziet in een open weigeringsgrond: het verzoek kan worden geweigerd indien en voor zover (i) de zorg bestaat dat de betreffende informatie voor vennootschapsvreemde doeleinden zal worden gebruikt; en (ii) dit de vennootschap en de met haar verbonden onderneming niet-verwaarloosbaar zal schaden.6 Deze weigeringsgrond komt uiteindelijk neer op een afweging tussen de belangen van de vennootschap en die van de aandeelhouder bij de betreffende informatieverstrekking en strekt tot een hoge drempel.7 Het informatierecht wordt verder beperkt door Duitse doctrine over de goede trouw en misbruik van recht,8 vergelijkbaar met het Nederlandse informatierecht buiten vergadering.
Ik zou menen dat ook naar Nederlands recht een informatieverzoek buiten vergadering kan worden geweigerd indien de informatie zou worden gebruikt ‘voor vennootschapsvreemde doeleinden’, zij het dan bij gebrek aan een voldoende en redelijk belang. Het belang bij de toegang tot informatie moet immers een aandeelhoudersbelang zijn, dus een belang dat de betreffende partij ontleent aan zijn aandeelhouderschap en niet aan een andere capaciteit.9 In het Duitse recht lijkt als schoolvoorbeeld voor een weigeringsgrond te worden gezien het verstrekken van bedrijfs- of concurrentiegevoelige informatie.10 Daarbij geldt echter wel dat er ook een verwachting moet zijn dat die informatie bij een concurrent terechtkomt en dat de vennootschap, als gevolg daarvan, schade zou leiden. Het enkele feit dat een concurrent mogelijk concurrentiegevoelige informatie in handen zou krijgen, hoeft naar Duits recht op zichzelf genomen weigering van de informatieverstrekking nog niet te rechtvaardigen. Er kan ook worden gezocht naar een minder schadelijke wijze van informatieverstrekking, bijvoorbeeld door de informatie te verstrekken aan een betrouwbare gemachtigde of vertegenwoordiger die tot geheimhouding is gehouden.11 Daarmee lijkt de drempel voor de weigering van het informatieverzoek hoger te liggen dan in Nederland.
Het Auskunfts- und Einsichtsrecht in de GmbH is met name bedoeld om (minderheids)aandeelhouders te beschermen,12 net zoals het Nederlandse (ad hoc) informatierecht buiten vergadering. Hoewel dit informatierecht gelijkenissen vertoont met ons informatierecht buiten vergadering, heeft de Duitse wetgever voor een wezenlijk andere benadering gekozen. De Duitse regeling voorziet in een doorlopend informatierecht dat niet is gekoppeld aan een concrete situatie of gebeurtenis. Om die reden is het ook niet in reikwijdte beperkt tot bepaalde onderwerpen, maar geeft het individuele aandeelhouders in potentie een onbeperkt informatierecht. Dit wordt benadrukt doordat aandeelhouders in principe geen belang bij de verlangde informatie hoeven aan te voeren.13 Overigens lijkt de Duitse regeling het initiatief met name bij de aandeelhouder te leggen; het betreft een ‘vraagrecht’ van de aandeelhouder.
Een dergelijk breed doorlopend informatierecht zal naar Nederlands recht slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen ontstaan. In het algemeen zal sprake zijn van een ad hoc informatierecht waarbij de te verstrekken informatie is beperkt naargelang de concrete situatie of omstandigheid waaruit zij is voortgekomen. Het initiatief voor de informatieverstrekking ligt dan in de regel bij de vennootschap. Vóór de codificatie van dit Auskunfts- und Einsichtsrecht in 1980 werd ook in Duitsland een vergelijkbaar informatierecht buiten vergadering aangenomen dat juist gekoppeld was aan bijzondere gebeurtenissen.14 In de Duitse literatuur wordt overigens de nodige kritiek geuit op het informatierecht in de GmbH, met name omdat dit – vanwege zijn breedte – zijn doel voorbijschiet.15