Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.1:6.3.1 Toepassing van jurisprudentie
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.1
6.3.1 Toepassing van jurisprudentie
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200823:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sommige rechters menen dat officieren van justitie regelmatig op basis van een waarschijnlijkheidsredenering een veroordeling eisen, in plaats van op grond van (een juridisch juiste beoordeling van) bewijs:
‘Misschien zijn rechters meer terughoudend dan het OM, maar ik vind dat het OM te vaak zaken aanbrengt waarbij er geen of te weinig wettig bewijs is. Waarbij de notie vooral is: deze verdachte moet het wel gedaan hebben.’
In een deel van dit soort gevallen is het gezien de jurisprudentie volgens rechters onterecht dat door de officier een veroordeling wordt geëist.
‘[Verdachte] is aangehouden met een bankpasje van Pietersen in zijn achterzak. [Verdachte] kent geen Pietersen, maar in de politieregisters blijkt dat Pietersen aangifte heeft gedaan van zakkenrollerij een week geleden. Eerste wat [er wordt gedacht] is: jij bent crimineel, want jij hebt zijn pasje op zak. Maar [de verdachte] zegt dat hij die heeft gevonden en deze eigenlijk gisteren naar de politie had willen brengen. Toen werd moeder ziek, één of ander verhaal. [Verdachte] heeft ook een strafblad. Zulk soort zaken worden nog weleens ingezonden en dan wordt bijvoorbeeld zakkenrollerij, heling en meer subsidiair verduistering [ten laste gelegd]. Maar er is wel jurisprudentie waardoor je echt niet tot een veroordeling kan komen, voor geen van drieën.’
Een verschil in beoordeling doet zich volgens een rechter regelmatig voor bij de beoordeling van het bewijs in witwaszaken. Deze rechter veronderstelt dat officieren van justitie in dergelijke gevallen weinig zorgvuldig zijn en sterk afgaan op hun morele oordeel over het belang van fraudebestrijding en minder op de geldende jurisprudentie:
‘Je ziet regelmatig een verschil in beoordeling van witwaszaken. Je zou verwachten dat op basis van jurisprudentie over de kwalificatie-uitsluitingsgrond [door het OM] opnieuw wordt gekeken of zaken wel aangebracht kunnen worden. Ik denk dat dit niet altijd zorgvuldig gebeurt (…). Sommige officieren houden te weinig rekening met ontwikkelingen in de jurisprudentie of ze kiezen daar bewust voor als ze iets kwalijk vinden.’
Sommige rechters veronderstellen dat er een verschil in beoordeling ontstaat op basis van een verschil in kennis van de jurisprudentie, maar ook op basis van een ‘cultuur binnen het OM’. Hierdoor zou in gevallen waarin de verdachte de schijn tegen heeft, de jurisprudentie onvoldoende worden betrokken bij de beoordeling van bewijs.
‘De dossiers worden wel gelezen maar vaak vind ik dat kennis over de laatste stand van de jurisprudentie tekortschiet, over hoe je het bewijs bijvoorbeeld weegt (…). Dan vraag ik me af hoe up to date officieren soms zijn en hoe goed hun bewijsbeslissing past. Dat gaat misschien over de tijd die ze hebben om zich te preparen, maar belangrijker is de cultuur op het parket.’
Soms zijn rechters van mening dat officieren weliswaar ‘goede juristen’ zijn die in beginsel hetzelfde juridische kader hanteren als zij, maar vermoeden ze ook dat officieren minder tijd hebben om zich daarin te verdiepen. Daarbij hebben deze rechters dan vaak het vermoeden dat de werkdruk voor officieren hoger ligt dan voor hen.
‘Een voorbeeldje wat me binnen schiet is dat er zeer regelmatig bedreigingen ten laste gelegd worden (…). Die bedreiging bestaat dan alleen uit [bijvoorbeeld]: “Ik krijg je nog wel.” Zo’n uiting is zo onbepaald, dat je daar onmogelijk een bedreiging met het leven of met zware mishandeling in kan zien. Dat zien we met grote regelmaat. Soms vinden [officieren] dat [een dergelijke uiting] gewoon voldoende moet zijn. Dan wordt gezegd: “De verdachte is toch wel heel erg vervelend en intimiderend geweest en het is allemaal zeer kwalijk wat er is gebeurd.” Maar de bedreiging zoals die in de wet is opgenomen, gaat toch wel een stukje verder. Daar stappen ze soms te makkelijk overheen en daarbij speelt denk ik jurisprudentie ook een rol. Als ze daar beter naar zouden kijken, zouden ze er ook wel anders over denken.’
Veel rechters zijn kritisch over officieren van justitie die onzorgvuldig zouden omgaan met de beoordeling van bewijs. Maar het is te simpel om te denken dat er in de opvattingen hierover simpelweg een scheidslijn getrokken kan worden tussen officieren en rechters. Uit de interviews met rechters komt naar voren dat zij ook onderling verschillend denken over de beoordeling van bewijs. Daarbij gaat het onder meer over de toepassing van jurisprudentie. Tijdens de interviews omschrijven rechters verschillende ‘typen’ van rechters. Zo meent een rechter dat er een groep collega’s is die ‘precies’ genoemd kan worden, ‘dogmatisch’ het juridisch kader volgend (vgl. De Groot-van Leeuwen, 1991: 178-179). Ook is er een groep rechters die meer zoals zijzelf ‘oplossingsgericht’ zou denken:
‘Je hebt voorzichtige, precieze rechters, die veel meer met alle jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europese Hof rekening houden en zeer kritisch alles op een weegschaal leggen. Er zijn er ook die wat meer recht toe recht aan, huppakee, op zoek gaan naar de oplossing die ze passend vinden. Je kan heel dogmatisch denken, dan kan je een heleboel situaties afkeuren. Over het algemeen vind ik dat rechters best geneigd zijn om wat [gezien de jurisprudentie] een beetje krom is weer recht te praten, om het gewenste eindresultaat maar te krijgen, wat natuurlijk iedereen wil. Zodat de verdachte kan worden veroordeeld, omdat hij nu eenmaal is betrapt met dertig kilo [drugs] ergens.’
Een rechter meent dat soms naar mogelijkheden wordt gezocht om bij de (moreel of vanuit crime control) gewenste uitkomst uit te komen, ook als een strikte interpretatie van de juridische kaders (jurisprudentie in dit geval) die ruimte niet biedt. Zij is het dan ook niet eens met de opvatting dat rechters overdreven kritisch met bewijsbeoordeling omgaan. Haar voorbeeld heeft betrekking op jurisprudentie die zou voorschrijven dat de politie een anonieme melding dient te verifiëren. Indien aan deze eis niet is voldaan, zou een huiszoeking niet mogelijk zijn. Zij meent dat rechters hier een pragmatische oplossing hebben gekozen, waarbij het natrekken van het door de anonieme melder vermelde adres door de rechter werd beschouwd als verificatie van de informatie uit de melding:
‘In de jurisprudentie komt naar voren dat er verificatie moet plaatsvinden na een anonieme melding. Hier gold als verificatie dat het adres van de verdachte klopte met de melding. Er wordt praktisch geredeneerd om de huiszoeking die volgde niet onrechtmatig te hoeven verklaren. Het valt me op dat rechters dan wel naar dat doel proberen toe te redeneren. Je hebt hele precieze rechters die daar moeilijk over doen, maar over het algemeen is het idee dat rechters doelgericht kunnen redeneren en in dit voorbeeld die huiszoeking wel proberen te redden.’
Een ander voorbeeld gaat over de beoordeling van de strafrechtelijke bestanddelen van diefstal. Soms zou jurisprudentie van de Hoge Raad door rechters niet worden gehanteerd en is van een overdreven kritische houding geen sprake. Een mogelijke consequentie hiervan is dat rechters die de jurisprudentie wel hanteren daarop worden aangekeken.
‘Iemand wordt aangetroffen met gestolen goederen. Hebben ze dan ook ingebroken? Ik heb zelf als stelregel en veel collega’s ook: als het binnen een dag daarvoor is gebeurd en de verdachte heeft geen goed verhaal, dan heeft hij het gewoon gestolen. Maar de Hoge Raad zegt dat hij dan geen dief maar een heler is. Daar kun je over discussiëren hoe het juridisch zit.’