De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/207:207 Uitwerking van § 78 Abs. 1 AktG 1937 in de praktijk
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/207
207 Uitwerking van § 78 Abs. 1 AktG 1937 in de praktijk
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370203:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Schlegelberger e.a. 1937, p. 345/346.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de toelichting wordt duidelijk dat de soep minder heet wordt gegeten dan hij wordt opgediend. Indien het slecht gaat met de onderneming volgt hieruit niet zonder meer dat met haar bestuurders slechts een geringe bezoldiging overeengekomen mag worden. Voor een niet-renderende of financieringsbehoeftige vennootschap kan het immers noodzakelijk zijn een ‘persoonlijkheid’ te vinden die door zijn bijzondere vaardigheden de toestand van de vennootschap kan verbeteren en haar volledige ondergang kan afwenden. In een dergelijk geval kan, ondanks de slechte financiële toestand van de vennootschap, de toekenning van een hogere bezoldiging passend zijn. Deze is dan immers consistent zowel met de taken van de bestuurder als met de bijzondere toestand van de vennootschap om te herstellen.1 Er wordt derhalve alsnog een aanzienlijke discretionaire ruimte gegeven aan de raad van commissarissen om een ‘passende’ bezoldiging vast te stellen. Hierdoor blijft de praktische werking van deze regeling beperkt. Met de juiste argumenten zal een bezoldiging niet snel niet voldoen aan de eisen van §78 Abs. 1 AktG 1937.
Tot een daadwerkelijke uitwerking van § 78 Abs. 1 Satz 1 AktG 1937 in de literatuur of de rechtspraak komt het in de jaren na de invoering van de regeling niet. Duitsland heeft andere problemen die de aandacht vragen, waardoor het debat over de bezoldiging van bestuurders verflauwt. Daarnaast geven de winstdelingen en andere bonusvormen uit de tijd na invoering van de wettelijke regeling weinig aanleiding tot debat. De vraag wanneer een bezoldiging conform § 78 Abs. 1 Satz 1 AktG 1937 niet ‘passend’ is, blijft in de rechtswetenschappelijke literatuur onbeantwoord. Een nadere uitwerking van de verhouding tussen de ‘soziale Gerechtigkeit’ en de ‘betriebs- und volkswirtschaftliche Notwendigkeiten’ vindt niet plaats.