Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/371
371 Twee stromingen
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370227:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Meijer-Wagenaar 2006, p. 683; Verburg 2015, p. 73; Meijer-Wagenaar 2014, p. 118/119.
Van Slooten & Zaal 2008. Zij refereren nog aan lid 3 en lid 4. Deze leden zijn met de invoering van het spreekrecht voor de ondernemingsraad vernummerd naar lid 4 en lid 5.
Aanhangers van deze stroming zijn: Van Veen 2005, p. 209; Meijer-Wagenaar 2006, p. 687; Huijgen/Lennarts 2013, art. 2:135 BW. Zie ook Verburg 2012, p. 235-236; Verbrug 2015, p. 73 e.v.
Aanhangers van de stroming zijn Van Slooten & Zaal 2008, casus 4; Van der Heijden/ Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 251; Bulten 2014, p. 115; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 329 sub d; Groffen, de Monchy & Schoonbrood 2004, p. 25.
In de literatuur zijn twee stromingen te ontwaren die zijn ontstaan vanwege de onduidelijkheid die er heerst over de verhouding tussen het bezoldigingsbeleid en de vastgestelde individuele bezoldiging. Deze onduidelijkheid is te wijten aan het feit dat een overdenking of toelichting in de parlementaire geschiedenis over enige sanctie ontbreekt.1 De ene stroming houdt vast aan een strikte benadering van art. 2:135 BW, terwijl de andere stroming een flexibeler opstelling inneemt. Een keuze voor een bepaalde stroming hangt samen met de interpretatie van de woorden ‘met in achtneming van het beleid’ en het antwoord op de vraag of de slotzin van lid 5 van art. 2:135 BW alleen van toepassing is op dit artikellid of tevens moet worden doorgetrokken naar art. 2:135 lid 4 BW.2 Valt de keuze op de strikte interpretatie van art. 2:135 BW, dan volgt daaruit dat er bij non-conformiteit van de vastgestelde bezoldiging met het bezoldigingsbeleid sprake zal zijn van nietigheid.3 Wordt gekozen voor de soepeler benadering dan zal een vennootschap in de meeste gevallen gebonden zijn aan de vastgestelde bezoldiging, ondanks dat die bezoldiging niet in overeenstemming is met het bezoldigingsbeleid.4
Vorenstaande dient onderscheiden te worden van de vraag of er sprake is van een adviserende of bindende say-on-pay over het bezoldigingsbeleid. Bij een adviserende stem over het bezoldigingsbeleid is de vaststelling van het beleid niet afhankelijk van de desbetreffende stem, terwijl dat wel het geval is bij een bindende stem over het bezoldigingsbeleid. In de onderhavige discussie staat de vraag centraal of het orgaan dat vervolgens de individuele bezoldiging vaststelt dwingend gehouden is aan een reeds vastgesteld bezoldigingsbeleid.