AB 2022/158
Tijdelijke tegemoetkomingsregeling kinderopvangtoeslag. Vertrouwensbeginsel. Evenredigheidstoetsing. Exceptieve toetsing. Buiten toepassing laten.
Rb. Midden-Nederland 28-07-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3758, m.nt. Y. Habicht en L.M. Nijenhuis
- Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
- Datum
28 juli 2021
- Magistraten
Mrs. B. Fijnheer, M.C. Verra, L.M. Reijnierse
- Zaaknummer
UTR 20/3698
- Noot
Y. Habicht en L.M. Nijenhuis
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS644137:1
- Vakgebied(en)
Corona (V)
Toeslagen (V)
Bestuursrecht algemeen / Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Bestuursprocesrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBMNE:2021:3758, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 28‑07‑2021
- Wetingang
Essentie
De tegemoetkomingen van eiser(s) op grond van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO zijn niet vastgesteld op basis van de feitelijke situatie, omdat verweerder op de peildatum niet over de juiste gegevens beschikte. Wegens strijd met het vertrouwensbeginsel en evenredigheidsbeginsel laat de rechtbank de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO buiten toepassing.
Samenvatting
Door de peildatum achteraf in te stellen, worden ouders, die om wat voor reden dan ook niet de juiste gegevens hebben doorgegeven aan verweerder, achteraf voor een voldongen feit geplaatst. Zij kunnen niets meer doen om de situatie te herstellen. Bezwaar maken en beroep instellen lijkt immers geen zin te hebben, als de regelgeving uitzonderingen voor hen niet mogelijk maakt.
De rechtbank komt tot de conclusie dat bij het voorbereiden en nemen van de TKKO en de daarop gebaseerde ministeriële regeling in strijd is gehandeld met het vertrouwensbeginsel en dat de negatieve gevolgen van de gehanteerde peildatum voor de groep ouders zoals eiser niet uitdrukkelijk zijn betrokken. Waarom zij niet gezien worden als groep die substantieel nadeel ondervindt van de peildatum komt immers niet naar voren en waarom, ondanks de eerdere toezegging, voor hen geen mogelijkheid tot herziening wordt geboden is onvoldoende gemotiveerd. Eiser loopt daarbij onevenredig nadeel op.
Artikel 5 van de TKKO moet in dit geval buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, omdat in de daaropvolgende ministeriële regeling voor een te beperkte groep een mogelijkheid tot herziening is opengesteld.
Partij(en)
Uitspraak in de zaak tussen:
Eiser,
en
De Minister van Financiën, verweerder, (gemachtigden: J. Blauw en mr. J. van der Meer).
Uitspraak
Procesverloop
In het besluit van 30 juni 2020 (primair besluit) heeft de Sociale Verzekeringsbank namens verweerder aan eiser op grond van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO (TKKO) een bedrag van € 553, toegekend ter vergoeding van de eigen bijdrage die is betaald toen de kinderopvang gesloten was (de tegemoetkoming).
In het besluit van 1 september 2020 (bestreden besluit) heeft de Belastingdienst Toeslagen namens verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 april 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Inleiding
1.
Als gevolg van de Covid-19 pandemie is de kinderopvang in Nederland in de periode van 16 maart 2020 tot en met 7 juni 2020 (voor een deel) gesloten geweest. Om ouders te bewegen de kosten van de kinderopvang door te blijven betalen, heeft het kabinet besloten om een tegemoetkoming aan hen uit te keren. Gevreesd werd namelijk dat ouders de kinderopvang anders niet zouden doorbetalen en/of contracten voor kinderopvang tijdelijk zouden worden opgezegd.
2.
Eiser heeft ook zo’n tegemoetkoming ontvangen. Hij stelt zich op het standpunt dat de tegemoetkoming te laag is, omdat verweerder bij de berekening van het recht op een tegemoetkoming gebruik heeft gemaakt van de opvanggegevens die bij de Belastingdienst/Toeslagen op 6 april 2020 (de peildatum) bekend waren. Volgens eiser kloppen die gegevens niet met de werkelijkheid, omdat hij voor zijn zoon meer opvanguren heeft afgenomen. Hij maakt namelijk gebruik van flexibele opvang bij een gastouder én bij een kinderdagverblijf. Vooraf is niet duidelijk hoe hoog de kosten voor kinderopvang zullen zijn. Omdat eiser niet achteraf geconfronteerd wil worden met terugvorderingen, houdt hij bewust de tegemoetkoming voor de kinderopvangtoeslag laag. Eiser heeft een bedrag van € 553 ontvangen, maar heeft — als wordt uitgegaan van de later doorgegeven opvanguren — recht op € 1.596. Volgens eiser is sprake van een substantieel verschil en moet verweerder uitgaan van de gecorrigeerde gegevens.
3.
De rechtbank heeft meer beroepen ontvangen van ouders die het niet eens zijn met de vaststelling van hun recht op de tegemoetkoming op grond van de TKKO, omdat de gegevens die op de peildatum 6 april 2020 bekend waren bij de Belastingdienst/Toeslagen, niet overeenkomen met de werkelijke gegevens en dat leidt in hun geval volgens hen tot een substantiële benadeling. De rechtbank heeft op 19 april 2021 daarom vier vergelijkbare beroepen van ouders over dit onderwerp behandeld. Hoewel de beroepsgronden niet helemaal hetzelfde zijn, komen de betogen van de vier eisers in de kern op hetzelfde neer: zij stellen dat zij er, gelet op de overheidscommunicatie, op mochten vertrouwen dat zij een tegemoetkoming zouden ontvangen gebaseerd op de werkelijke opvangkosten en dat het vasthouden aan de peildatum in hun geval onevenredig uitpakt. Deze uitspraak gaat over deze beroepsgronden.
Totstandkoming TKKO
4.
Nadat het kabinet vanwege de pandemie op 16 maart 2020 de kinderopvang sloot, riepen staatssecretaris van Financiën (Toeslagen en Douane) Van Huffelen en staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Van Ark (de staatssecretarissen) ouders actief op om de betalingen aan de kinderopvanginstellingen voort te zetten, terwijl zij daar geen opvang voor genoten. De staatssecretarissen deelden daarbij herhaaldelijk mee dat ouders gerust konden betalen, omdat zij een tegemoetkoming in de kosten konden verwachten en zij dus door doorbetaling van de kosten voor de niet genoten opvang niet benadeeld zouden worden.1.
5.
De staatssecretarissen hebben de Tweede Kamer over de voorgenomen te regelen tegemoetkoming geïnformeerd in twee brieven.2. In de brief van 17 april 2020 aan de Tweede Kamer hebben zij toegelicht dat bij de vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming 6 april 2020 als peildatum geldt. De gegevens die op dat moment bekend waren bij verweerder, dienen als grondslag voor de hoogte van de tegemoetkoming. De bewindslieden onderkenden echter dat deze peildatum voor sommige ouders ongunstig zou kunnen uitpakken:
“Voor substantiële afwijkingen wordt voor ouders een mogelijkheid vormgegeven om herziening aan te vragen. Daarnaast staat voor ouders die het niet eens zijn met de hoogte van de vergoeding en/of de gevolgde procedures, zoals gewoonlijk de mogelijkheid van bezwaar en beroep open.”
6.
Vervolgens is op 6 mei 2020 via een algemene maatregel van bestuur (AMvB) de TKKO vastgesteld.3. Het gaat om een AMvB die niet is gebaseerd op een bestaand wettelijk kader, maar op artikel 89, eerste lid, van de Grondwet. Dat betekent dus dat de tegemoetkoming niet valt onder de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, die ten grondslag ligt aan de gewone tegemoetkoming kinderopvangtoeslag en dus ook buiten de toeslagensystematiek valt. Het gaat om een tijdelijke regeling.
7.
Artikel 5 van de TKKO bevat de al eerdergenoemde peildatum. De gegevens die bepalend zijn voor de hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 4, eerste lid, zijn de gegevens zoals verwerkt bij de Belastingdienst/Toeslagen op 6 april 2020.
Artikel 8 van de TTKO bepaalt dat bij ministeriële regeling de periode, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4, kan worden verlengd, en dat nadere regels kunnen worden gesteld, waarbij kan worden afgeweken van artikel 5 en het van rechtswege vaststellen van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 6.
7.1.
In de toelichting bij de TKKO staat over de peildatum verder nog vermeld:
“Het kan zo zijn dat door de gekozen peildatum het besluit buitengewoon nadelig uitwerkt. Voor deze uitzonderlijke omstandigheden kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.”
8.
Bij ministeriële regeling van 9 juni 20204. (de ministeriële regeling) is in artikel 4 bepaald dat de peildatum — kort gezegd — niet geldt voor ‘nieuwe’ kinderen, kinderen die nog niet bij de Belastingdienst/Toeslagen bekend waren op 6 april 2020. Er is geen andere groep uitgezonderd van de peildatum. In de toelichting staat hierover:
“8.1. Als het ouders betreft aan wie dan voor een tweede of volgend kind kinderopvangtoeslag is toegekend, ontvangen zij een tweede tegemoetkomingsbeschikking als het tegemoetkomingsbedrag op de nieuwe peildatum hoger is. Enkel in bovenstaande situaties komen ouders voor een tegemoetkoming op grond van de regeling in aanmerking. Andere wijzigingen in de situatie van kinderopvangtoeslag van ouders, inkomenswijzigingen of wijzigingen in uren kinderopvang, geven geen recht op een tegemoetkoming in het kader van deze regeling. De noodzaak een eenvoudige regeling tot stand te brengen en het buitengewone nadeel dat eerstgenoemde situaties opleveren, hebben tot deze keuze geleid.”
Beoordeling rechtbank
9.
Tussen partijen is niet in geschil dat toepassing van artikel 5 van de TTKO met zich brengt dat eiser geen recht heeft op een hogere tegemoetkoming dan hij nu heeft gehad. De tegemoetkoming is immers berekend aan de hand van de peildatum, zoals dit artikel voorschrijft en voor de situatie van eiser geldt op basis van de ministeriële regeling geen uitzondering. Dat eiser toch claimt dat verweerder een uitzondering had moeten maken in zijn geval, komt dus neer op een zogenaamde exceptieve toetsing van de TKKO.
9.1.
Deze toetsing houdt volgens vaste rechtspraak in dat algemeen verbindende voorschriften, zoals de TKKO, die geen wet in formele zin zijn, door de rechter kunnen worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. De rechter komt ook de bevoegdheid toe te bezien of het algemeen verbindend voorschrift waar het concreet over gaat een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding zijnde besluit. Bij die, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindende voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer.5.
9.2.
De intensiteit van die beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. In dat laatste geval heeft de rechter niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Wat betreft de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.
9.3.
Bij de toetsing van de wijze waarop door het regelgevende orgaan aan de hem toekomende beslissingsruimte inhoud is gegeven, kunnen, naast toetsing aan artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en aan ongeschreven materiële beginselen als het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, ook het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 van de Awb) en het beginsel van een deugdelijke motivering een rol spelen. De enkele strijd met deze formele beginselen kan echter niet leiden tot het onverbindend achten van een algemeen verbindend voorschrift. Dat laat onverlet dat, indien als gevolg van een gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding van het voorschrift door de rechter niet kan worden beoordeeld of er strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dit ertoe kan leiden dat de bestuursrechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit om die reden vernietigt. Als het vaststellende orgaan bij het voorbereiden en nemen van een algemeen verbindend voorschrift de negatieve gevolgen daarvan voor een bepaalde groep uitdrukkelijk heeft betrokken en de afweging deugdelijk heeft gemotiveerd, voldoet deze keuze aan het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel en beperkt de toetsing door de bestuursrechter zich in het algemeen tot de vraag of de regeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.6.
10.
De rechtbank moet bij een exceptieve toetsing dus kort gezegd beoordelen of een bepaald algemeen verbindend voorschrift deugt als grondslag voor het daarna genomen besluit. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat dat niet het geval is en zij zal hierna uitleggen waarom niet.
11.
De rechtbank is zich ervan bewust dat het opstellen van een AMvB en een ministeriële regeling het domein is van de staatssecretarissen en de verantwoordelijke minister en dat zij de betrokken belangen moeten beoordelen. Bij de gemaakte keuzes spelen politiek-bestuurlijke afwegingen een rol. Daar gaat de rechtbank niet over en de rol van de rechtbank is dus niet groot. De rechtbank heeft — zoals hiervoor al is overwogen — ook niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. In dit geval hebben de bewindslieden in hun communicatie tot 9 juni 2020 bij herhaling meegedeeld dat er voor ouders die door de peildatum zouden worden benadeeld een oplossing zou komen. De rechtbank stelt hiermee vast dat de bewindslieden zelf belang hebben gehecht aan de positie van de benadeelde ouders, in die zin dat er voor deze ouders een oplossing moest komen.
12.
Uit de hiervoor aangehaalde overheidscommunicatie blijkt dat aan de ouders expliciet is toegezegd dat zij met een gerust hart de kinderopvang konden blijven doorbetalen, omdat zij daarvoor gecompenseerd zouden worden. Eiser stelt dat hij hierop mocht vertrouwen. Tijdens de zitting heeft verweerder betoogd dat het hier om algemene informatie gaat en dat ouders hierop dus geen beroep kunnen doen.
13.
Dit standpunt van verweerder gaat er echter aan voorbij dat juist als van officiële overheidsinstanties in een crisisperiode mededelingen worden gedaan, ouders daarop moeten kunnen vertrouwen. Het gaat hier niet om een eenmalige uitlating van een willekeurig bewindspersoon in bijvoorbeeld een krantenbericht, maar het gaat hier om herhaaldelijke mededelingen van de twee bevoegde staatssecretarissen die via verschillende officiële kanalen7. bij het publiek terecht zijn gekomen. Ouders werden daarin ook direct aangesproken: van hen werd immers verlangd de opvangkosten, ondanks de sluiting van de kinderopvang, toch te blijven voldoen. De mededelingen van de staatssecretarissen over de tegemoetkoming zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gemaakt: de ouders zouden gecompenseerd worden voor het doorbetalen van de kinderopvang. De meeste ouders hebben hiernaar vervolgens ook gehandeld en hebben hun eigen bijdrage dus doorbetaald. Deze uitlatingen vormen een toezegging die gelet op het vorenstaande niet vrijblijvend kan worden gedaan.
14.
Gelet op deze communicatie van overheidswege en het vertrouwen dat daarmee is gewekt, valt niet goed te begrijpen dat de ministeriële regeling die gelet op artikel 8 van de TTKO in een oplossing voor buitengewoon nadelige situaties zou moeten voorzien, geen enkele mogelijkheid biedt voor de groep ouders van wie de gegevens die op 6 april 2020 bekend waren bij de Belastingdienst/Toeslagen niet stroken met de werkelijke gegevens. De mogelijkheid om de peildatum niet te hanteren, is namelijk alleen toegestaan voor ouders van kinderen die op de peildatum nog helemaal niet bij verweerder bekend waren. De staatssecretarissen zien die groep dus kennelijk als enige groep ouders die substantieel benadeeld wordt door het hanteren van de peildatum en de overige ouders niet. Dit terwijl de benadeling van andere ouders (met bijvoorbeeld meer kinderen) groter kan zijn dan van ouders die nog niet bij verweerder bekend waren. Voor dit gemaakte onderscheid in behandeling is in de toelichting bij de ministeriële regeling geen uitleg gegeven. Door de mogelijkheid van herziening alleen mogelijk te maken voor een beperkte groep ouders hebben de staatssecretarissen geen gevolg gegeven aan de gedane toezegging, waardoor het vertrouwensbeginsel is geschonden.
15.
Het argument om — ondanks de eerdere toezegging — geen mogelijkheid tot herstel van gegevens toe te staan, lijkt de noodzaak te zijn geweest om tot een snelle regeling te komen. Ook heeft verweerder het voorkomen van fraude als reden naar voren gebracht voor het niet vooraf bekend maken van het hanteren van een peildatum. Er zou immers geen verdere (na)controle op de gegevens plaatsvinden en het zou daarom dus lonen voor ouders om veel hogere opvanguren door te geven dan er in werkelijkheid werden afgenomen.
16.
De keuze om een snelle regeling te treffen vormt in het licht van het opgewerkte vertrouwen een onvoldoende motivering. Het niet vooraf bekend maken van het hanteren van een peildatum ter voorkoming van fraude verklaart niet waarom verweerder niet heeft gekozen voor een mogelijkheid van herziening voor een bredere groep ouders dan waarvoor nu is gekozen. Blijkens berichtgeving aan de tweede kamer hebben de staatssecretarissen het volgende voor ogen gestaan:
“Ouders worden via de regeling dus bij benadering vergoed. Om de vergoeding snel te kunnen organiseren, wordt ook hier, net als bij andere getroffen noodmaatregelen, gekozen voor een versimpelde vorm, waarbij gebruik gemaakt wordt van reeds beschikbare gegevens. Bij kleine afwijkingen vragen we ouders om begrip. Voor substantiële afwijkingen wordt voor ouders een mogelijkheid vormgegeven om herziening aan te vragen.”8.
Waarom voor ouders die in omstandigheden verkeren als eiser geen sprake is van een substantiële afwijking, is de rechtbank niet duidelijk geworden. De TKKO is dan ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
17.
Door de peildatum achteraf in te stellen, worden ouders, die om wat voor reden dan ook niet de juiste gegevens hebben doorgegeven aan verweerder, achteraf voor een voldongen feit geplaatst. Zij kunnen niets meer doen om de situatie te herstellen. Bezwaar maken en beroep instellen lijkt immers geen zin te hebben, als de regelgeving uitzonderingen voor hen niet mogelijk maakt. Dit heeft tot gevolg dat eiser een bedrag van € 1.063 misloopt. De rechtbank kan eiser volgen in zijn betoog dat de ontvangst van het bedrag van € 553 substantieel afwijkt van het bedrag van € 1.596 waarop hij anders recht zou hebben gehad. Verweerder heeft dit ook niet weersproken. Toepassing van artikel 5 van de TKKO levert dan ook onevenredig nadeel op voor eiser.
Conclusie
18.
De rechtbank komt tot de conclusie dat bij het voorbereiden en nemen van de TKKO en de daarop gebaseerde ministeriële regeling in strijd is gehandeld met het vertrouwensbeginsel en dat de negatieve gevolgen van de gehanteerde peildatum voor de groep ouders zoals eiser niet uitdrukkelijk zijn betrokken. Waarom zij niet gezien worden als groep die substantieel nadeel ondervindt van de peildatum komt immers niet naar voren en waarom, ondanks de eerdere toezegging, voor hen geen mogelijkheid tot herziening wordt geboden is onvoldoende gemotiveerd. Eiser loopt daarbij onevenredig nadeel op.
19.
Een rechter kan in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat een algemeen verbindend voorschrift buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen daarvan onevenredig uitwerken of dat de toepassing ervan in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank komt gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen tot die conclusie. Artikel 5 van de TKKO moet in dit geval buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, omdat in de daarop volgende ministeriële regeling voor een te beperkte groep een mogelijkheid tot herziening is opengesteld.
20.
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen, omdat tussen partijen geen verschil van inzicht bestaat over de hoogte van de toekenning waar eiser recht heeft, als het juiste aantal uren basis zouden zijn voor de toekenning, namelijk € 1.596. Aan eiser is al € 533 toegekend, zodat hij nu nog feitelijk recht heeft op een nabetaling van € 1.063.
21.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
22.
Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- —
verklaart het beroep gegrond;
- —
vernietigt het bestreden besluit;
- —
herroept het primaire besluit, bepaalt dat de tegemoetkoming van eiser € 1.596 bedraagt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- —
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden.
Noot
Auteur: Y. Habicht en L.M. Nijenhuis*
1.
Hoewel de hier geannoteerde uitspraak niet van een hoogste bestuursrechter afkomstig is, verdient zij wel degelijk een annotatie in de AB. De zaak betreft één van de vele geschillen over de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO (hierna: TTKO). Deze regeling is in het leven geroepen om ouders die gehoor hebben gegeven aan het verzoek van de regering om de kinderopvang vrijwillig te blijven doorbetalen tijdens de sluitingsperioden als gevolg van COVID-19, financieel te compenseren (zie art. 2 TTKO). Daarmee is de regeling één van de vele steunregelingen die de coronacrisis heeft voortgebracht (vergelijk J.E. van den Brink, ‘Publiek geld als pleister op de coronawonde’, in: J.P. Loof, J. Korzelius, J.E. van den Brink en M. van der Steen, Bestuursrecht in crisistijd. Preadviezen VAR, Den Haag: BJu 2021, p. 137-338).
De rechtbank Midden-Nederland heeft vier vergelijkbare beroepen (Rb. Midden-Nederland 28 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3756; ECLI:NL:RBMNE:2021:3757; ECLI:NL:RBMNE:2021:3758; ECLI:NL:RBMNE:2021:3759) behandeld over de TTKO. In de hier geannoteerde uitspraak wordt ingegaan op de beroepsgronden die eisers in alle vier de zaken hebben aangevoerd: (1) dat zij erop mochten vertrouwen dat zij een tegemoetkoming zouden ontvangen op basis van de werkelijke opvangkosten en (2) dat het vasthouden aan de peildatum onevenredig uitpakt. De relevantie van deze uitspraak is gelegen in het feit dat de rechtbank de (toepassing van de) TTKO toetst aan het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De opzet van deze annotatie is als volgt. In randnummer 2 wordt een overzicht gegeven van de feiten van de zaak en de toepasselijke wet- en andere regelgeving. Vervolgens wordt besproken op welke wijze de rechtbank de TTKO toetst aan het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel (randnummer 3). In randnummer 4 plaatsen wij de uitspraak in een bredere context.
2.
Hoe is het mogelijk dat de toepassing van de TTKO in alle vier de zaken tot vergelijkbare problemen heeft geleid? De TTKO stamt van 6 mei 2020, maar voor het bepalen van de omvang van de tegemoetkoming is voor een peildatum in het verleden gekozen, namelijk voor 6 april 2020 (zie art. 5 TTKO). De wetgever heeft hiervoor bewust gekozen om strategisch handelen van burgers te voorkomen, zo blijkt uit de nota van toelichting bij de TTKO. De keuze voor een peildatum in het verleden heeft echter ook tot gevolg dat pas achteraf duidelijk is dat het voor de tegemoetkoming essentieel is dat de op 6 april 2020 bij de Belastingdienst geregistreerde gegevens overeenkomen met de feitelijke situatie. De regelgever was zich er dan ook van bewust dat het onredelijk zou zijn om in alle gevallen strikt vast te houden aan voornoemde peildatum. In art. 8 TTKO is daarom bepaald dat bij ministeriële regeling kan worden afgeweken van voornoemde peildatum. In de toepasselijke ministeriële regeling, de Regeling nadere regels Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO, is in art. 4 voor twee gevallen van die afwijkingsmogelijkheid gebruik gemaakt. Het gaat om gevallen waarin na 6 april 2020 voor het eerst kinderopvangtoeslag aan een ouder is toegekend of voor het eerst kinderopvangtoeslag is toegekend voor een of meer volgende kinderen. In alle vier de beroepen die de rechtbank Midden-Nederland behandelt, komen de gegevens die bij verweerder geregistreerd stonden op de peildatum niet overeen met de feitelijke situatie. In de hier geannoteerde uitspraak werd door eiser gebruikgemaakt van flexibele opvang bij een gastouder en bij een kinderdagverblijf. In dat geval is vooraf niet duidelijk hoe hoog de kosten voor de kinderopvang zullen zijn. Omdat eiser vreesde achteraf geconfronteerd te worden met terugvorderingen, heeft hij bewust het aantal afgenomen uren kinderopvang laag gehouden. Een vrees die ons, gelet op de hoge terugvorderingen in de kinderopvangtoeslagaffaire, bepaald niet onredelijk voorkomt. Volgens de gegevens die op de peildatum geregistreerd stonden, heeft eiser recht op een bedrag van € 553-, terwijl eiser op basis van de feitelijke gegevens recht heeft op een bedrag van € 1.595,-.
3.
Op basis van art. 5 TTKO heeft eiser geen recht op een hoger tegemoetkomingsbedrag, aldus de rechtbank (r.o. 9). De berekening heeft immers plaatsgevonden op basis van de gegevens die op de peildatum bekend waren en er is geen sprake van één van de twee uitzonderingssituaties. Het feit dat eiser meent dat er toch van de regeling had moeten worden afgeweken, betekent, volgens de rechtbank, dat er geen andere mogelijkheid is dan over te gaan tot exceptieve toetsing. De rechtbank geeft in de rechtsoverwegingen 9.1 en 9.2 dan ook een kader omtrent de exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften. Dat de rechtbank hier overgaat tot een exceptieve toetsing van de TTKO is wat ons betreft een logische stap, aangezien er meerdere, vergelijkbare beroepen zijn ingediend. Dit wijst erop dat de TTKO structurele problemen voor een bepaalde groep ouders in het leven roept (zie de conclusie van staatsraden advocaat-generaal Widdershoven en Wattel, ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468 en vergelijk ook onze annotatie onder AB 2022/159, over het verschil tussen exceptieve toetsing aan het evenredigheidsbeginsel en de contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel).
Op welke wijze wordt de exceptieve toetsing uitgevoerd door de rechtbank? De rechtbank concludeert allereerst dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel. Het probleem met de peildatum dat zich in casu voordoet, is bij de voorbereiding van de TTKO onderkend door de staatssecretarissen. Daarop hebben zij toegezegd dat er voor deze groep een oplossing zal komen (zie de brief aan de Tweede Kamer van 25 maart 2020, ‘Noodmaatregelen kinderopvang in verband met Covid-19’, de daar bijbehorende bijlage ‘Intentieverklaring over de compensatie van de volledige ouderbijdrage bij doorbetaling kinderopvang in verband met COVID-19’, en de brief aan de Tweede Kamer van 17 april 2020, ‘Kinderopvang en Covid-19: update noodopvang en compensatie eigen bijdrage ouders’). Aldus is er volgens de rechtbank sprake van een toerekenbare toezegging, die uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is gedaan: de ouders zouden worden gecompenseerd voor het doorbetalen van de kinderopvang (r.o. 12-13). Gelet op deze communicatie, kan de rechtbank niet goed begrijpen dat er in de ministeriële regeling geen voorziening is getroffen voor ouders wier gegevens op de peildatum niet overeenkomen met de feitelijke situatie. Waarom er geen mogelijkheid is geboden het tegemoetkomingsbedrag voor deze groep ouders te herzien, is onvoldoende gemotiveerd en eiser loopt hierdoor onevenredig nadeel op. Aldus concludeert de rechtbank dat art. 5 TTKO buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, omdat in de daarop volgende ministeriële regeling voor een te beperkte groep een mogelijkheid tot afwijking is opengesteld (r.o. 19).
4.
De rechtbank motiveert niet waarom de exceptieve toetsing in dit geval tot het buiten toepassing laten van de TTKO leidt. Onzes inziens zou dit wel wenselijk zijn geweest, gelet op het feit dat exceptieve toetsing zowel tot een onverbindend verklaring als tot het buiten toepassing laten van een algemeen verbindend voorschrift kan leiden (zie de conclusie van staatsraden advocaat-generaal Widdershoven en Wattel, ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468 en vergelijk ook onze annotatie onder AB 2022/159). Een dergelijke motivering vonden wij wel terug in een uitspraak van het CBb, waarbij het ging om een andere vorm van coronasteun: de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) (CBb 15 maart 2022, ECLI:NL:CBB:2022:116). In die zaak deed zich ook de situatie voor dat de verlening van een tegemoetkoming werd gebaseerd op gegevens zoals die bekend waren op een peildatum, terwijl deze gegevens voor een bepaalde groep van gerechtigden niet overeenkwamen met de feitelijke situatie. Het CBb oordeelde dat de vaststelling dat in een regeling (die strekt tot het verlenen van rechten of aanspraken) ten onrechte een bepaalde voorziening ontbreekt, niet kan leiden tot het onverbindend verklaren van een gedeelte van de regeling waarin (juist) rechten en aanspraken worden verleend. In een dergelijk geval is het daarom niet goed mogelijk een bepaling aan te wijzen die onverbindend is. Voor die groep ten aanzien van wie de voorziening ontbreekt, dient de betreffende regeling daarom buiten toepassing te worden gelaten. Net zoals in de zaak van het CBb, betreft het in de hier geannoteerde uitspraak een regeling waarin voor een bepaalde groep een voorziening ontbreekt, terwijl de regeling voor een andere groep juist strekt tot het verlenen van rechten. Vanuit deze benadering is het onzes inziens logisch dat de rechtbank er niet voor heeft gekozen de TTKO onverbindend te verklaren, maar dat zij de regeling buiten toepassing heeft verklaard. Wel verdient het aanbeveling om — in navolging van het CBb — dit soort keuzes te motiveren.
De uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland zijn ook overgenomen door de rechtbank Limburg (Rb. Limburg 26 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:539). Deze uitspraken passen in de bredere ontwikkeling naar meer maatwerk voor de burger, die voor een groot deel valt toe te schrijven aan de kinderopvangtoeslagaffaire (vergelijk M. Scheltema, ‘De responsieve rechtsstaat: het burgerperspectief’, NTB 2019/24, p. 246-253; J.E. Esser en R.G. Becker, ‘Maak van maatwerk de regel. Maatwerk in rechterlijke toetsing van regels en uitvoering’, NTB 2021/106, p. 249-257; P.J. Huisman en N. Jak, ‘Verschillende gezichten van bestuursrechtelijk maatwerk: interactie tussen wetgever, bestuur en bestuursrechter, Gst. 2021/45, p. 244-260). Dat de rechter hier over ‘durft’ te gaan tot het bieden van maatwerk aan eisers, terwijl de TTKO en de bijbehorende ministeriële regeling daartoe geen mogelijkheid bieden, is volgens ons een stap in de goede richting. De uitspraken lijken overigens ook aan de kant van de wetgever niet zonder gevolg te zijn gebleven. Inmiddels heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in samenspraak met de Staatssecretaris van Toeslagen en Douane besloten de TTKO te herzien en te kijken hoe deze specifieke groep ouders nader kan worden tegemoetgekomen (zie brief aan de Tweede Kamer van 29 november 2021, ‘Tijdelijke tegemoetkomingsregeling kinderopvang’). Tot die tijd zal er, om die reden, vanuit de overheid ook geen hoger beroep meer worden ingesteld in zaken over de TTKO.
Voetnoten
Voetnoten 'Uitspraak'
Zie bijvoorbeeld het nieuwsbericht op www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/03/20/alle-ouders-krijgen-hun-eigen-bijdrage-kinderopvang-terug en de Intentieverklaring over de compensatie van de volledige ouderbijdrage bij doorbetaling kinderopvang in verband met Covid 19.
De brief aan de Tweede Kamer van 25 maart 2020, Noodmaatregelen kinderopvang in verband met Covid-19 en de brief aan de Tweede Kamer van 17 april 2020, Kinderopvang en Covid-19: update noodopvang en compensatie eigen bijdrage ouders.
Besluit van 6 mei 2020, houdende de vaststelling van een tijdelijke algemene maatregel van bestuur regelende een tegemoetkoming voor de eigen bijdrage van de ouder in de kosten voor kinderopvang in verband met COVID-19.
Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 juni 2020, houdende nadere regels inzake de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO, Staatscourant 2020, 31675.
Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bijvoorbeeld de uitspraak van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452.
Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016.
Waaronder brieven aan de Tweede Kamer en publicatie op de website rijksoverheid.nl.
Zie de eerder genoemde brief van de staatsecretarissen aan de Tweede Kamer van 17 april 2020.
Voetnoten 'Noot'
Y. Habicht is masterstudent Staats- en bestuursrecht en Privaatrecht aan de Universiteit van Amsterdam. L.M. Nijenhuis is docent Staats- en bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam.