CBb, 12-05-2026, nr. 23/1051
ECLI:NL:CBB:2026:207
- Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum
12-05-2026
- Zaaknummer
23/1051
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CBB:2026:207, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12‑05‑2026; (Hoger beroep)
- Wetingang
Uitspraak 12‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Hoger beroep tegen uitspraak van de accountantskamer ongegrond. Betrokkene was (als bestuurder) niet betrokken bij de afhandeling van de meldingen die klager heeft gedaan en kan daar dus niet tuchtrechtelijk op worden aangesproken.
Partij(en)
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1051
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 op het hoger beroep van
[naam 1] , te [woonplaats 1]
(gemachtigde: mr. M.A.M. Lem)
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 10 maart 2023 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 1] tegen
[naam 2] RA, te [woonplaats 2]
(gemachtigde: mr. drs. J.F. Garvelink)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 10 maart 2023, met nummer 22/830 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2023:18).
[naam 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting over het hogerberoepschrift gegeven.
[naam 1] en [naam 2] hebben nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 11 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. H. Bais, en [naam 2] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Het hoger beroep van [naam 1] tegen de uitspraak van de accountantskamer over zijn klacht tegen [naam 3] (23/1050) is gelijktijdig behandeld. In die zaak doet het College vandaag ook uitspraak.
Grondslag van het geschil
1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.
1.2
[naam 2] is sinds 13 oktober 1999 ingeschreven in het accountantsregister van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA). Vanaf 1 september 2017 is [naam 2] bestuurder van [bedrijfsnaam 1 onderdeel b] . Vanaf 1 juli 2021 maakt hij als voorzitter van het bestuur van [bedrijfsnaam 1 onderdeel b] deel uit van het bestuur van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] .
1.3
[naam 1] was van 1 april 2014 tot 1 april 2019 (via een besloten vennootschap) partner van [bedrijfsnaam 1 onderdeel b] . Zijn leidinggevende was [naam 4] . Per 1 april 2019 is [naam 1] partner geworden van [bedrijfsnaam 1 onderdeel c] . Per diezelfde datum is hij ook gaan werken voor de afdeling EMEIA (Europe, Middle East, India and Africa).
1.4
In september 2018 vond een bijeenkomst plaats waarbij een voorstel voor volledig automatische factuurverwerking werd gepresenteerd. Onder meer [naam 1] en [naam 4] waren daarbij aanwezig. [naam 2] was niet aanwezig.
1.5
[naam 4] heeft per brief van 23 oktober 2018 een formele waarschuwing aan [naam 1] gestuurd in verband met zijn functioneren. Bij brief van 25 oktober 2018 is aan [naam 1] zijn vergoeding voor het fiscale jaar 2018 (gebroken boekjaar 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018) bekend gemaakt. Op zijn vergoeding is in verband met zijn Quality Risk Management-score (QRM-score) een percentage in mindering gebracht. Tegen de vaststelling van deze vergoeding heeft [naam 1] (intern) bezwaar en later ook (intern) beroep aangetekend.
1.6
In de interne beroepsprocedure heeft [naam 1] [naam 4] beschuldigd van schending van het mededingingsrecht en intimidatie. Eén en ander zou hebben plaatsgevonden tijdens en na de hiervoor genoemde bijeenkomst in september 2018. Naar aanleiding hiervan heeft op 31 maart 2020 een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 5] , general counsel van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] , [naam 1] en [naam 6] (de toenmalige CEO van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] ). Op 7 april 2020 hebben [naam 1] en [naam 6] elkaar opnieuw gesproken, ditmaal zonder [naam 5] . [naam 1] heeft van beide gesprekken in het geheim een opname gemaakt en daarvan transcripties overgelegd.
1.7
[advocatenkantoor] is in opdracht van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] in mei 2020 gestart met een onderzoek naar de mogelijke wijziging van de QRM-score van [naam 1] door [naam 4] , mogelijk ongepast gedrag van [naam 4] jegens [naam 1] en een mogelijke schending van het mededingingsrecht door [naam 4] . Dit onderzoek heeft niet geleid tot een gegrondbevinding van één van deze drie punten.
1.8
Per brief van 25 oktober 2020 is de vergoeding van [naam 1] voor het fiscale jaar 2020 met 25% gekort. [bedrijfsnaam 1 onderdeel c] heeft met een brief van 24 december 2020 de partnershipovereenkomst met de besloten vennootschap van [naam 1] opgezegd. De overeenkomst is per 1 juli 2021 geëindigd.
1.9
Op 6 april 2021 heeft [naam 1] een melding gedaan bij het in artikel 2, tweede lid, van de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] genoemde [bedrijfsnaam 1] / [bedrijfsonderdeel] meldpunt. Vervolgens heeft hij op 20 april 2021 gevraagd om zijn melding aan te houden. Het meldpunt heeft laten weten dat dit niet mogelijk is en dat ze het dossier zullen sluiten indien binnen twee weken geen reactie volgt.
1.10
Op 30 juni 2021 heeft [naam 1] opnieuw een (vergelijkbare) melding gedaan bij het [bedrijfsnaam 1] / [bedrijfsonderdeel] meldpunt. Per e-mail van 15 september 2021 heeft de [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] Klachtencommissie aan [naam 1] meegedeeld dat deze melding volgens de procedure van de [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] Klokkenluidersregeling en de [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] Klachtenregeling zal worden onderzocht. De Klachtencommissie heeft in eerste instantie [advocatenkantoor] ingeschakeld om een onderzoek uit te voeren naar de melding. Op 14 oktober 2021 heeft de afdeling Juridische Zaken van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] aan [naam 1] meegedeeld dat zijn klacht niet in behandeling zal worden genomen, onder meer omdat [naam 1] [bedrijfsnaam 1] inmiddels aansprakelijk heeft gesteld en er rechterlijke procedures lopen. [naam 1] heeft hier per e-mail van 21 oktober 2021 protest tegen aangetekend. Ook heeft hij de Raad van Commissarissen (RvC) van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] in oktober 2021 over de gang van zaken geïnformeerd.
1.11
Op 11 maart 2022 heeft [naam 1] een brief aan het bestuur van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] gestuurd waarin hij [naam 2] verzoekt en sommeert, op straffe van een tuchtklacht, om binnen twee weken schriftelijk te bevestigen dat de opdracht van [naam 6] aan [advocatenkantoor] in mei 2020 tot het doen van onderzoek heeft plaatsgevonden in strijd met de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA), onder meer omdat het onderzoek onjuist, onvolledig en misleidend is. Per e-mail van 16 maart 2022 heeft de voorzitter van het bestuur van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] , [naam 7] , gereageerd.
1.12
Op 24 april 2022 heeft [naam 1] een e-mail aan een lid van de raad van commissarissen (RvC) gestuurd, waarin hij zich erover beklaagt dat zij geen actie heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat zijn meldingen correct worden opgevolgd. Daarnaast verzoekt hij de RvC om er bij [naam 2] op aan te dringen dat hij alsnog reageert op de brief van 11 maart 2022. [naam 7] heeft hierop per e-mail van 26 april 2022 gereageerd.
Uitspraak van de accountantskamer
2.1
De klacht houdt in dat [naam 2] de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels niet heeft nageleefd. In de uitspraak van de accountantskamer is de klacht als volgt weergegeven, waarbij voor betrokkene [naam 2] moet worden gelezen en voor klager [naam 1] :“a. Betrokkene heeft de melding van klager van 6 april 2021 na zijn aantreden per 1 juli 2021 ten onrechte genegeerd en hij had die melding in behandeling behoren te nemen, omdat hij daartoe op grond van art 27 van de Verordening accountantsorganisaties (VAO) en de Klokkenluidersregeling was gehouden. In plaats daarvan is aan [advocatenkantoor] de instructie gegeven de melding niet in behandeling te nemen.b. Betrokkene heeft klager naar aanleiding van zijn brief van 11 maart 2022 ten onrechte niet bevestigd dat het onderzoek door [advocatenkantoor] onjuist, onvolledig en misleidend was en zich daarvan niet gedistantieerd.”
2.2
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard, omdat [naam 2] bij de afhandeling van beide meldingen niet betrokken is geweest en daarop dus niet tuchtrechtelijk kan worden aangesproken. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek door [advocatenkantoor] ondeugdelijk was. De accountantskamer ziet ook niet in, als dat onderzoek ondeugdelijk was, op grond waarvan [naam 2] dat aan [naam 1] had moeten bevestigen.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
3 [naam 1] heeft zes Romeins genummerde hogerberoepsgronden (door hem grieven genoemd) aangevoerd. Hij verwijst in een hogerberoepsgrond vaak terug naar andere hogerberoepsgronden. Daarom zal het College de samenhangende hogerberoepsgronden gezamenlijk per onderwerp (zie de cursief gedrukte kopjes hierna) beoordelen en daarbij de door [naam 1] gebruikte nummering vermijden. Het College zal eerst de meer algemene hogerberoepsgronden bespreken die door [naam 1] zijn aangevoerd en daarna de hogerberoepsgronden die specifiek over beide klachtonderdelen gaan.
Formulering van de klacht en weergave van de feiten
4.1
[naam 1] voert als eerste aan dat de accountantskamer de klachtonderdelen ten onrechte heeft geherformuleerd, waardoor deze niet volledig, niet in de juiste context noch in de juiste samenhang zijn beoordeeld. De accountantskamer heeft een beslissing genomen die niet de volledige klacht betreft zoals door [naam 1] ingediend. Verder stelt [naam 1] dat wat de accountantskamer in 3.3, 3.6 en 3.13 van haar uitspraak heeft opgenomen, ten onrechte als feiten zijn gekwalificeerd. Reeds hierom kan de uitspraak van de accountantskamer niet in stand blijven. [naam 1] verzoekt het College de zaak terug te verwijzen naar de accountantskamer om de zaak opnieuw te behandelen.
4.2
Het College stelt voorop – onder verwijzing naar onder meer zijn uitspraak van 6 september 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BX8338) – dat het de accountantskamer vrij staat om een klacht zakelijk samen te vatten en waar mogelijk te groeperen. Daarnaast is de accountantskamer niet gehouden alle haar gebleken feiten in de uitspraak op te nemen, maar mag zij zich beperken tot de volgens haar relevante feiten. Het College ziet in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat de accountantskamer bij haar beoordeling is uitgegaan van een onjuiste of te beperkte interpretatie van de klacht van [naam 1] , noch voor het oordeel dat de accountantskamer de feiten onjuist heeft weergegeven. Dat de accountantskamer niet alle argumenten van [naam 1] ter onderbouwing van zijn klacht heeft vermeld, betekent niet dat de klacht onjuist is weergegeven. Ten aanzien van de weergave van de feiten stelt het College vast dat [naam 1] weliswaar heeft betoogd dat een aantal van de feiten onjuist zouden zijn weergegeven, maar dat hij heeft nagelaten uiteen te zetten op welke wijze dit de uiteindelijke beslissing heeft beïnvloed. Deze hogerberoepsgronden slagen niet.
Partijdigheid accountantskamer
5.1
[naam 1] heeft in zijn hogerberoepschrift meermaals aangevoerd dat de beslissing van de accountantskamer bij hem de schijn van partijdigheid en/of vooringenomenheid heeft gewekt.
5.2
Het College stelt vast dat [naam 1] dit standpunt niet nader met daarvoor relevante feiten en omstandigheden heeft geconcretiseerd of onderbouwd. Dat [naam 1] het niet eens is met de manier waarop de accountantskamer zijn klachten heeft samengevat, de feiten heeft weergegeven en vervolgens haar oordeel heeft geformuleerd, maakt nog niet dat de accountantskamer partijdig of vooringenomen is geweest. Het College oordeelt dat daarvan in de uitspraak op geen enkele wijze is gebleken.
Klachtonderdeel a: [naam 2] heeft de melding van [naam 1] van 6 april 2021 na zijn aantreden per 1 juli 2021 ten onrechte genegeerd en hij had die melding in behandeling behoren te nemen, omdat hij daartoe op grond van art 27 van de Verordening accountantsorganisaties (VAO) en de Klokkenluidersregeling was gehouden. In plaats daarvan is aan [advocatenkantoor] de instructie gegeven de melding niet in behandeling te nemen.
6.1
De accountantskamer heeft overwogen dat [naam 2] op 1 juli 2021 tot het bestuur van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] is toegetreden en op geen enkele wijze betrokken was bij de behandeling van de melding van [naam 1] van 6 april 2021 bij het [bedrijfsnaam 1] / [bedrijfsonderdeel] meldpunt. Daarom kan [naam 2] hierop niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Verder blijkt uit de e-mail van de afdeling Juridische Zaken van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] van 14 oktober 2021 dat de [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] Klachtencommissie heeft besloten de melding van 30 juni 2021 niet langer in behandeling te nemen. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [naam 2] hier geheel of gedeeltelijk de hand in heeft gehad. Reeds daarop stuit het verwijt af en het klachtonderdeel is ongegrond.
6.2
[naam 1] voert aan dat de accountantskamer heeft miskend dat het hem erom gaat dat hij de niet correct afgehandelde meldingen uit 2018 en 2020 opnieuw onder de aandacht van [naam 2] wilde brengen, die dat niet alleen heeft afgewezen, maar mede aan [advocatenkantoor] de instructie heeft gegeven de klachten niet in behandeling te nemen als meldingen in de zin van de Klokkenluidersregeling. [naam 2] had op grond van artikel 5 van de VGBA een maatregel moeten nemen nu zijn organisatie en de huisadvocaat de geldende wet- en regelgeving niet hebben nageleefd.
6.3
Het College oordeelt dat de accountantskamer klachtonderdeel a terecht ongegrond heeft verklaard, omdat [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] betrokken is geweest bij de afhandeling van de melding van [naam 1] van 6 april 2021 door de Klachtencommissie. Het enkele feit dat [naam 2] op dat moment bestuurder van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] was, maakt niet dat hem voor de afhandeling van deze melding een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Dat het de bedoeling van [naam 1] was de niet correcte meldingen van 2018 en 2020 onder de aandacht van [naam 2] te brengen en dat [naam 2] dat heeft afgewezen, is een aanvulling op de bij de accountantskamer ingediende klacht en moet daarom in hoger beroep buiten beschouwing blijven.
Klachtonderdeel b: [naam 2] heeft [naam 1] naar aanleiding van zijn brief van 11 maart 2022 ten onrechte niet bevestigd dat het onderzoek door [advocatenkantoor] onjuist, onvolledig en misleidend was en zich daarvan niet gedistantieerd.
7.1
De accountantskamer heeft overwogen dat [naam 1] in de eerste plaats niet heeft toegelicht om welke reden(en) het onderzoek door [advocatenkantoor] (in 2020) onjuist, onvolledig en misleidend was. In de tweede plaats heeft hij niet toegelicht op grond waarvan [naam 2] was gehouden te voldoen aan het verzoek/de sommatie in de brief van [naam 1] aan het bestuur van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] van 11 maart 2022 om te verklaren dat het onderzoek door [advocatenkantoor] in strijd was met de VGBA, zelfs als dat onderzoek ondeugdelijk zou zijn. De accountantskamer ziet ook zelf geen grond voor die verplichting. Daar komt bij dat het bestuur van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] door middel van een e-mail van voorzitter [naam 7] op de brief van [naam 1] heeft gereageerd, zij het niet in de door [naam 1] gewenste zin. In de reactie van 26 april 2022 is nogmaals op de brief ingegaan. Daarin is ook geschreven dat mede namens [naam 2] is gereageerd. Het klachtonderdeel is ongegrond.
7.2
[naam 1] stelt dat hij wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat het onderzoek door [advocatenkantoor] ondeugdelijk was. [naam 1] is een melder in de zin van de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] , dus het protocol uit die regeling had gevolgd moeten worden en dat is niet gebeurd. Als het voor [naam 2] niet mogelijk was de meldingen alsnog op de juiste wijze in behandeling te nemen, dan had hij dat aan [naam 1] moeten meedelen en zich moeten distantiëren van het onderzoek door [advocatenkantoor] . De huidige CEO van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] heeft, ook namens [naam 2] , per e-mail van 26 april 2022 ten onrechte aan [naam 1] meegedeeld dat uit het door [advocatenkantoor] uitgevoerde onderzoek zou zijn gebleken dat geen sprake is geweest van misstanden. Die conclusie kan [naam 2] niet trekken zonder zich ervan te verzekeren dat [advocatenkantoor] het juiste protocol van de Klokkenluidersregeling heeft gevolgd.
7.3
Het College oordeelt dat de accountantskamer klachtonderdeel b terecht ongegrond heeft verklaard. [naam 1] heeft deze hogerberoepsgrond niet anders onderbouwd dan met een algemene verwijzing naar zijn andere hogerberoepsgronden. Wat de grond zou zijn voor een verplichting voor [naam 2] om te voldoen aan het verzoek uit de brief van [naam 1] van 11 maart 2022 wordt hieruit niet duidelijk. Ook het College ziet geen grond voor deze verplichting.
Conclusie
8 De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
9 De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.
Beslissing
Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. S.C. Stuldreher enmr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. A.A. Dijk