Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/403
403 §87 Abs. 2 AktG na de VorstAG
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369093:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Diller 2009, p. 1006 en 1009 naar verwezen in Meyer 2012, p. 266.
Zie het huidige §87 Abs. 2 AktG.
Rieble & Schmittlein 2011, p. 79; Zie ook Fleischer 2009, p. 801-804; Meyer 2012, p. 271.
“Das Recht des Aufsichtrats zur einseitigen Herabsetzung der Bezüge wird vom Gesetzgeber als äuâerster Notbehelf betrachtet.” Zie Schlegelberger e.a. 1937, §78 Rn. 8. Zie ook Meyer 2012, p. 267.
§ 87 Abs. 2 AktG wordt gezien als een lex specialis van § 313 BGB dat enigszins vergelijkbaar is met het Nederlandse art. 6:258 BW. Zo bepaalt het eerste lid van § 313 BGB: “Haben sich Umstände, die zur Grundlage des Vertrags geworden sind, nach Vertragsschluss schwerwiegend verändert und hätten die Parteien den Vertrag nicht oder mit anderem Inhalt geschlossen, wenn sie diese Veränderung vorausgesehen hätten, so kann Anpassung des Vertrags verlangt werden, soweit einem Teil unter Berücksichtigung aller Umstände des Einzelfalls, insbesondere der vertraglichen oder gesetzlichen Risikoverteilung, das Festhalten am unveränderten Vertrag nicht zugemutet werden kann.”
Stenzel 2012, p. 248.
Meyer 2012, p. 268 en 271; Schüller 2002, p. 115; Rieble & Schmittlein 2011, p. 79. Zie ook Fleischer 2009, p. 801-804; Stenzel 2012, p. 247; Martens 2005, p. 124-154.
BT-Drucks. 16/12278, p. 6.
Het primaire doel is het beschermen van aandeelhouders, schuldeisers en werknemers tegen een vermindering van het vermogen van de vennootschap. Zie Meyer, 2012, p. 268 en 271. Stenzel noemt verder nog het versterken van de koppeling tussen de financiële toestand van de vennootschap en de prestaties van het bestuur, het zorgdragen voor een ‘passende’ bezoldiging en het versterken van de solidariteit binnen de onderneming. R. Stenzel 2012, p. 249.
Art. 1, nr. 1b Entwurf VorstAG. BT-Drucks. 16/12278, p. 3 (te raadplegen op https://dipbt.bundestag.de/dip21/btd/16/122/1612278.pdf (laatst bezocht op 5 augustus 2017)).
Het woord ‘hat’ is dwingender, dan het woord ‘soll’.
Opgemerkt dient te worden dat § 87(2) AktG, in tegenstelling tot § 87 (1) Satz 2 AktG, niet beperkt is tot alleen beursgenoteerde ondernemingen, maar van toepassing op alle Aktiengesellschaften. Meyer 2012, p. 267. Het OLG Köln acht § 87 (2) AktG zelfs analoog van toepassing op de GmbH, zie OLG Köln 6 november 2007, NZG 2008, 637.
Voor de VorstAG ging het om een ‘wesentlichten Verschlechterung in den Verhältnissen der Gesellschaft’. Met de ‘Lage der Gesellschaft’ wordt nadrukkelijk aangesloten bij § 87(1) AktG, zie BT-Drucks. 16/12278, p. 6. Vereist is overigens ook dat de verslechtering van de toestand van de vennootschap na het afsluiten van de bezoldiging is ingetreden. De Aufsichtrat kan zich daarbij niet verschuilen achter het feit dat hij de financiële situatie van de onderneming bij het afsluiten van de bezoldigingsafspraken verkeerd ingeschat heeft.
Meyer 2012, p. 272; Seibert 2010, p. 964.
“Die Neueregelung wird kaum dazu führen, das § 87II AktG aus seinem Dornröschenschlaf erwacht.”1
Sinds 5 augustus 2009 is in Duitsland de ‘Gesetz zur Angemessenheit der Vorstandsvergütung’ (“VorstAG”) van kracht. Met deze wet is de bevoegdheid van de raad van commissarissen aangescherpt om de bezoldiging van bestuurders achteraf aan te passen.2 Tot deze aanpassing was de toegevoegde waarde van § 87 Abs. 2 AktG beperkt vanwege de restrictieve uitleg die aan het artikel werd gegeven.3 Het artikel werd gezien als een ultimum remedium, waardoor bijzonder strenge eisen waren vereist voor het doen van een beroep op § 87 Abs. 2 AktG.4 Voorop staat ook in Duitsland het beginsel van pacta sunt servanda.5 Het achteraf aanpassen van de bezoldiging was slechts mogelijk indien er sprake was van een ‘wesentlichten Verschlechterung in den Verhältnissen der Gesellschaft’ en het nakomen van de bezoldigingsafspraken een ‘schwere Unbilligkeit’ voor de vennootschap was. Deze hoge eisen zorgden ervoor dat toepassing alleen mogelijk was waneer er sprake was van een dusdanige financiële noodsituatie bij de vennootschap dat haar voortbestaan in gevaar is.6 De restrictieve uitleg van § 87 Abs. 2 AktG 1965 leidde ertoe, dat de wettelijke mogelijkheid om de bezoldiging aan te passen als een ‘Papiernorm’ werd gezien. In de praktijk werd de bezoldiging zelden achteraf aangepast.7
In 2009 wordt § 87 Abs. 2 AktG aangescherpt. De bedoeling van de wetgever is om de vereisten voor toepassing van de wettelijke mogelijkheid om onder omstandigheden een overeengekomen bezoldiging aan te passen zonder dat daarvoor een contractuele bepaling nodig is, ‘klarer und schärfer’ te krijgen.8 De drempel voor toepassing wil de wetgever onder meer verlagen door de woorden ‘wesentlichen’ en ‘schwere’ te schrappen. Het doel van het artikel blijft gelijk.9
Voorgesteld werd om § 87(2) AktG als volgt aan te passen: “Verschlechtert sich die Lage der Gesellschaft nach der Festsetzung so, dass die Weitergewährung der Bezüge nach Absatz 1 unbillig wäre, so hat der Aufsichtrat […] die Bezüge auf die angemessene Höhe herabzusetzen.”10
Op het oorspronkelijke wetsvoorstel was veel kritiek, onder meer omdat deze voorgestelde regeling geen discretionaire bevoegdheid leek in te houden voor de Aufsichtrat, iedere onbillijkheid kon leiden tot aanpassing en het gehele aan voormalige bestuurders toegekende pensioen kon worden aangepast. Naar aanleiding van de kanttekeningen die werden geplaatst bij het voorgestelde § 87 Abs. 2 AktG, werd het artikellid gewijzigd in een ‘Soll’-bepaling,11 werd de reikwijdte van de ‘onbillijkheid’ beperkt door op te nemen dat het nakomen van de bezoldigingsafspraken onbillijk moest zijn ten opzichte van de vennootschap en werd eveneens een beperking opgenomen van de mogelijkheid om bepaalde bezoldigingsvormen zoals pensioenbetalingen aan te passen. Uiteindelijk kwam de nieuwe regeling er als volgt uit te zien:12
§ 87 (2) AktG: “Verschlechtert sich die Lage der Gesellschaft nach der Festsetzung so, dass die Weitergewährung der Bezüge nach Absatz 1 unbillig für die Gesellschaft wäre, so soll der Aufsichtsrat oder im Falle des § 85 Absatz 3 das Gericht auf Antrag des Aufsichtsrats die Bezüge auf die angemessene Höhe herabsetzen. Ruhegehalt, Hinterbliebenenbezüge und Leistungen verwandter Art können nur in den ersten drei Jahren nach
Ausscheiden aus der Gesellschaft nach Satz 1 herabgesetzt werden. Durch eine Herabsetzung wird der Anstellungsvertrag im übrigen nicht berührt. Das Vorstandsmitglied kann jedoch seinen Anstellungsvertrag für den Schluß des nächsten Kalendervierteljahrs mit einer Kündigungsfrist von sechs Wochen kündigen.”
Voor toepassing van het huidige § 87(2) AktG zijn aldus twee cumulatieve vereisten nodig: (i) een verslechtering van de situatie van de vennootschap waardoor (ii) het nakomen van de bezoldigingsafspraken onbillijk is voor de vennootschap.13 Ondanks deze aanscherping lijkt het beoogde doel niet bereikt doordat de precies te hanteren norm alsnog als ‘unklar’ wordt ervaren.14