Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/47
47 Opties: inkomsten uit arbeid of inkomsten uit kapitaal
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370184:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
De verschuldigde belasting kan in een dergelijk geval door de vennootschap worden opgevoerd als kosten.
De consequentie hiervan was wel, dat de vennootschap de betaalde belasting niet zelf kon opvoeren als kostenpost. Murphy 2012, p. 47.
Rossheim v. Commissioner, 92, F. 2d 247, 1937.
Commissioner v. Smith, 324 U.S. 177, 1945.
Murphy 2012, p. 48. Een dergelijk probleem is ook in onze tijd niet vreemd. Zie bijvoorbeeld de discussie in de parlementaire geschiedenis over het alweer vervallen lid 7 van art. 2:135 BW (de afroomregeling).
Murphy 2012, p. 48.
In 1928 bedroegen deze belastingen nog respectievelijk 25% en 12,5%.
Het gebruik van aandelenopties als bezoldigingsvorm voor bestuurders is in het algemeen verwaarloosbaar in de jaren ’30 en ’40. Eén van de redenen hiervoor is, dat niemand in die tijd precies weet hoe deze opties belast moeten worden. Is de optie op het moment dat deze wordt uitgeoefend aan te merken als bezoldiging en dus op het moment van uitoefening belastbaar of moet de verkoop van het aandeel, dat door het uitoefenen van de optie verworven wordt, afgewacht worden voordat belasting verschuldigd is? Een keuze voor één van deze twee mogelijkheden heeft uiteenlopende gevolgen. In het eerste geval worden de inkomsten belast als waren zij inkomsten uit arbeid.1 In het tweede geval spreekt men van vermogenswinst waarover door het individu een veel lagere belasting betaald hoeft te worden.2
Een antwoord op bovenstaande vraag heeft lang op zich laten wachten. Vanaf eind jaren ’20 tot na de Tweede Wereldoorlog zou onzekerheid over deze kwestie blijven bestaan.
In mei 1928 werden er opties toegekend aan de CEO van een keten van filmtheaters. Nadat de koersen zes maanden op een rij waren gestegen besloot de CEO in oktober 1928 zijn opties uit te oefenen. De verworven aandelen verkocht hij vervolgens in de twee daaropvolgende jaren, waarover hij een belasting betaalde van 12,5% als ware het inkomsten uit kapitaal. De voorloper van de Internal Revenu Service (IRS) – het Bureau of Internal Revenu – was van mening dat de CEO belasting verschuldigd was over de ‘spread’ ten tijde van de uitoefening van de opties tegen 25%, omdat deze inkomsten volgens dit Bureau aangemerkt diende te worden als inkomsten uit arbeid. Na negen jaar procederen oordeelde de Circuit of Appeals in het voordeel van de CEO dat er slechts sprake is van inkomsten op het moment dat de aandelen verkocht worden en niet als de opties worden uitgeoefend.3 Het Bureau ging in hoger beroep. Uiteindelijk oordeelde de Supreme Court bijna tien jaar later in een gelijksoortige zaak in het voordeel van het Bureau of Internal Revenu dat de waarde, verkregen door het uitoefenen van de opties, aangemerkt diende te worden als bezoldiging en daardoor dus belastbaar was als inkomsten uit arbeid.4
In de jaren ’50 maakt een hervorming van de belastingwetgeving een einde aan de onzekerheid. Aanleiding voor deze hervorming is onder meer de ontevredenheid over de uitspraak van de U.S. Supreme Court waarin is bepaald dat de bestuurder belasting is verschuldigd direct na het uitoefenen van zijn opties. Deze keuze brengt namelijk verschillende nadelige neveneffecten met zich. Zo is er om handelen met voorkennis tegen te gaan in de Securities Exchange Act van 1934 een bepaling opgenomen op grond waarvan een bestuurder de aandelen die worden verkregen door het uitoefenen van opties minimaal zes maanden aan moet houden voordat de bestuurder deze aandelen mag verkopen. Door de uitspraak van de Supreme Court ontstond de situatie, dat een bestuurder belasting verschuldigd is indien hij zijn opties uitoefent, terwijl hij de verkregen aandelen niet deels kan gebruiken om daarmee zijn belastingschuld te voldoen.5 Het gebruik van opties als vorm van bezoldiging wordt daardoor uiterst onaantrekkelijk.
Met de inwerkingtreding van de Revenue Act van 1950 wordt, naast de gewone optie, een nieuw type optie geschapen – de ‘restricted stock option’ – waarmee de uitspraak van de Supreme Court min of meer teniet wordt gedaan. Over deze restricted stock option hoeft geen belasting te worden betaald wanneer de optie wordt uitgeoefend, maar is men pas belasting verschuldigd vanaf het moment dat de door de optie verkregen aandelen uiteindelijk verkocht worden. De uit die verkoop voortvloeiende inkomsten worden belast als vermogenswinst.6 Aangezien de belastingheffing op topinkomsten uit arbeid in die tijd 91% is, terwijl de belasting op inkomsten uit kapitaal slechts 25% bedraagt, neemt de aantrekkelijkheid van deze ‘restricted’ opties als bezoldiging voor ondernemingen toe.7