Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.4
6.3.4 Herziening van de ‘correctie vooraftrek’
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499439:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Heijnen 2017, paragraaf 5. Zie ook paragraaf 4.3.3. Daar waar ik in deze paragraaf spreek over ‘herziening’ of ‘correctie’ doel ik op de herziening c.q. correctie van art. 29 lid 8 Wet OB 1968.
Vgl. Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 33 (MvT).
Al werd meermaals de vraag opgeworpen of een redelijke wetsuitleg niet toch meebracht dat een ‘betaling alsnog’ leidde tot een nieuw recht op aftrek. Daar waar Hof Amsterdam (2 september 1992, V-N 1993/1913, 21) deze vraag bijvoorbeeld ontkennend beantwoordt, moet deze volgens Hof Den Haag (13 april 2012, V-N 2012/45.21.14) bevestigend worden beantwoord. In lijn met hetgeen ik heb betoogd over de correctie van de btw-teruggaaf aan de zijde van de leverancier meen ik evenwel dat het gelijk is aan Hof Amsterdam (paragraaf 4.3.3).
In deze paragraaf staat de herziening van de herziening centraal. De ondernemer wiens recht op aftrek wegens niet-betaling is gecorrigeerd en op een later moment de door zijn leverancier in rekening gebrachte vergoeding alsnog geheel of gedeeltelijk betaalt, komt op grond van art. 29 lid 8 Wet OB 1968 in aanmerking voor een nieuw recht op aftrek. Met andere woorden: het op grond van art. 29 lid 7 Wet OB 1968 teruggenomen recht op aftrek herleeft op grond van art. 29 lid 8 Wet OB 1968 naar rato van de betaling. Aldoende wordt de ‘herzieningsverplichting herzien’ of de eerdere ‘btw-correctie gecorrigeerd’.1 Omdat de herziening alleen kan plaatsvinden als het recht op aftrek in eerste instantie is herzien (art. 29 lid 8 Wet OB 1968 stelt als voorwaarde dat de btw eerder moet zijn voldaan), zal art. 29 lid 8 Wet OB 1968 zich in de praktijk vooral voordoen wanneer de aanvankelijke herziening is gemaakt vanwege het verstrijken van de éénjaarstermijn.2 Het nieuwe recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de ondernemer de vergoeding alsnog betaalt. Lid 8 voegt daaraan toe dat de dan alsnog betaalde btw moet worden aangemerkt als voorbelasting zoals bedoeld in art. 15 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 en dat art. 15 Wet OB 1968 voor het bepalen van de omvang van het recht op aftrek van overeenkomstige toepassing is. Art. 29 lid 8 Wet OB 1968 kent (net als art. 29 lid 5 Wet OB 1968) overigens geen voorloper in art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017).3
Hierna ga ik nader in op de herziening van de ‘correctie vooraftrek’. Ik sta eerst kort stil bij het karakter van de herzieningsverplichting (paragraaf 6.3.4.1) en het tijdstip waarop het nieuwe recht op teruggaaf ontstaat (paragraaf 6.3.4.2). Daarna besteed ik paragraaf 6.3.4.3 aandacht aan de herzieningssystematiek. Paragrafen 6.3.4.4 en 6.3.4.5 staan vervolgens in het teken van de verhouding tot het Unierecht respectievelijk het rechtskarakter van de btw. Een uitleiding volgt in paragraaf 6.3.4.6.
6.3.4.1 Een niet opzichzelfstaand recht op teruggaaf?6.3.4.2 Tijdstip van ontvangst van de vergoeding6.3.4.3 Wijze waarop de herziening plaatsvindt6.3.4.4 Verhouding tot het Unierecht6.3.4.5 Verhouding tot het rechtskarakter6.3.4.6 Slotsom