Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.0:6.3.0 Introductie
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.0
6.3.0 Introductie
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200722:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meeste rechters wijzen de opvatting van veel politiemensen en sommige officieren van justitie van de hand dat bewijs nogal eens te streng wordt beoordeeld (zie hoofdstukken 4 en 5). Rechters menen dat het OM tegenwoordig voldoende kans wordt geboden ‘technische’ onvolkomenheden en slordigheidsfouten vroegtijdig te herstellen. Ook menen ze dat onverwachte vrijspraak vaak het gevolg is van slecht of onvoldoende opsporingsonderzoek. Dat rechters als kritisch worden ervaren, verklaren sommigen uit de verschillende posities die politie, officier van justitie en rechter innemen binnen het strafrechtsysteem. De rechter is normaalgesproken eindverantwoordelijk. Voor rechters zou dit betekenen dat ze in vergelijking met de officier van justitie minder risico kunnen nemen bij de beoordeling van bewijs. Overigens wordt soms ook verwezen naar de mogelijkheid dat een hogere rechter tot een nog kritischer beoordeling komt.
‘Ik denk dat ik als rechter de lat voor het bewijs hoger leg dan de gemiddelde officier van justitie. Dat leid ik af uit mijn praktijk. (...) Wij moeten uiteindelijk oordelen en daarbij moet je [meer dan politie en officier van justitie] zeker zijn van je zaak.’
Een rechter stuit regelmatig op zaken waarin een strafbeschikking door de officier van justitie zou zijn opgelegd, in het besef dat de verdachte verzet kan aantekenen en op die manier alsnog zijn recht halen: ‘Dan heeft de officier al zelf een strafbeschikking opgelegd. Dat gebeurt steeds meer: “Ik geef jou een strafbeschikking.” En dan zien ze wel of [verdachte] die accepteert of niet.’ Ook om andere redenen ervaren rechters wrijving tussen OM en rechtspraak. Sommige rechters verwijzen naar de wijze van redeneren die volgens hen door politie en justitie wordt gehanteerd bij de beoordeling van bewijs en naar de grote rol daarbij voor aanwijzingen en aannemelijke scenario’s. Een voorbeeld van een rechter die ontevreden is over hoe officieren van justitie schakelbewijs beoordelen sluit hierop aan:
‘Ik maak wel officieren mee die spreken over eenzelfde modus operandi, maar dan is dat gewoon niet zo of het bewijs is er niet. (…) Ik vind dat officieren soms heel grote stappen nemen als het gaat om bewijs en het lastige is, ook voor de politie: Ja, hij [de verdachte] zal het wel gedaan hebben. Maar dat [gevoel] is gewoon niet genoeg.’
Overtuiging van schuld baseren op sterke aanwijzingen vormt een te groot risico, zo menen veel rechters. Ook worden mogelijke alternatieve scenario’s volgens hen soms te weinig serieus genomen door officieren. Voor officieren van justitie weegt in de ogen van rechters mee wat de politie concludeert over het verzamelde bewijs; zij zouden meer dan rechters ‘op de hand van de politie’ zijn (hetgeen zou passen in Packers crime control model).
‘Ik vind niet dat rechters te kritisch omgaan met bewijs. Ik denk juist dat het OM bij de bewijswaardering te veel op de hand van de politie zit. Het is de taak van de rechter om op dit punt heel duidelijk te maken dat we alleen mensen veroordelen als er echt voldoende bewijs is. Sterke aanwijzingen zijn niet voldoende, anders is het risico op dwalingen te groot. Dat is bij de rechter meer onderdeel van het DNA dan bij officieren merk ik. Ze zijn minder kritisch over scenario’s die in het dossier door de politie worden gepresenteerd. Waar rechters, als het anders kan zijn, en zeker als de verdachte beweert dat het anders is gegaan, het serieus willen nemen en onderzoeken.’
Hiertegenover is opvallend dat rechters in reactie op de onvrede over de rechterlijke beoordeling van bewijs onder politiemensen en officieren van justitie, regelmatig benadrukken dat de bewijsbeslissing in wezen onvoorspelbaar zou zijn. Zij lijken hier weinig moeite mee te hebben en wijzen op meervoudige kamers en beroepsmogelijkheden, waarmee in hun ogen voldoende correctiemogelijkheden in het rechtssysteem zijn ingebouwd.
‘Er kan soms heel verschillend aan gekeken worden tegen bewijskwesties. Al is het alleen maar de geloofwaardigheid van bepaalde onderdelen, van getuigen of getuigenverklaringen. De ene rechter zegt dat het plausibel is, de ander vindt het duidelijk ingegeven door bepaalde overwegingen en niet geloofwaardig. Het zijn talloze onderdelen waarvan je je kunt afvragen hoe je die moet interpreteren en daar wordt verschillend over gedacht. In zedenzaken is het steunbewijs bijna nooit direct bewijs. Hoe ga je dat dan waarderen? Is het slachtoffer spontaan gaan verklaren of pas na enige tijd? Zijn er overlegmomenten geweest? Hoe geloofwaardig vind je de uitspraken in een studioverhoor? Soms is het dan ook heel verrassend hoe het in raadkamer verloopt. Van tevoren kun je dat niet voorspellen. Ik word er ook weleens door verrast als collega’s er heel anders over denken dan ik.’
Strafrechtelijke uitkomsten kunnen verrassend of onbevredigend zijn voor politiemensen en officieren van justitie, maar dat blijkt ook te gelden voor rechters zelf. Rechters kunnen verschillend tegen zowel deelbeslissingen, als de eindbeslissing aankijken. Daarbij kan een persoonlijke inschatting van een onderdeel, bijvoorbeeld een getuigenverklaring, een groot verschil maken. In het volgende voorbeeld werd binnen de meervoudige kamer verschillend geoordeeld over de getuigenis van een kind:
‘Onlangs ging het [in de raadkamer] om een studioverhoor van een jong kind. De voorzitter, een zeer ervaren collega, vond het verhoor goed afgenomen, dat er geen antwoorden in de mond waren gelegd en er zou niks zijn [voorgezegd volgens hem]. Het kind had zelf een pistool getekend et cetera. We zaten met een plaatsvervanger en die zei: “Natuurlijk.” Maar ik vond het helemaal niet overtuigend en zei dat ook. “Hoe kan een kind dit allemaal weten? Dit is [voorgezegd] door de ouders. Zoveel details en het woordgebruik, ik vind dat niet bij een kind passen. Dat moet gevoerd zijn.” Zo kun je heel verschillend denken over zo’n bewijsmiddel. Als iemand status heeft delf je wel het onderspit natuurlijk. Zo’n plaatsvervanger denkt ook: maar even voorzichtig aan.’
Kritiek op de wijze waarop wordt omgegaan met de beoordeling van bewijs is er ook onder rechters, maar komt minder vaak voor dan onder politiemensen en officieren van justitie. Overigens menen ook sommige rechters dat een bewijstechnisch zwakke zaak toch op zitting kan worden gebracht door het OM, vanwege de mogelijkheid dat de verdachte daar bekent of op zijn minst het gevoel krijgt zich tegenover een autoriteit te moeten verantwoorden (zie ook hoofdstuk 5).
In navolgende wordt nader ingegaan op de opvattingen van rechters over de beoordeling van bewijs. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de toepassing van jurisprudentie bij de beoordeling van bewijs (6.3.1), de kwestie dat bewijs wettig én overtuigend moet zijn (6.3.2), de beoordeling van aanwijzingen (6.3.3), ‘alternatieve scenario’s’ (6.3.4) en het zwijgrecht (6.3.5). Deze paragraaf sluit af met de vraag in hoeverre rechters denken voorzichtiger te zijn geworden bij de beoordeling van bewijs (6.3.6).