Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/4.3.2.3
4.3.2.3 Het Auskunftsrecht in de Duitse AG
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971994:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Relevante Duitse wettekst: “Jedem Aktionär ist auf Verlangen in der Hauptversammlung vom Vorstand Auskunft über Angelegenheiten der Gesellschaft zu geben, soweit sie zur sachgemäßen Beurteilung des Gegenstands der Tagesordnung erforderlich ist. Die Auskunftspflicht erstreckt sich auch auf die rechtlichen und geschäftlichen Beziehungen der Gesellschaft zu einem verbundenen Unternehmen. (…).”
Zie Teichmann 2023, p. 133; en Decher 2018, nr. 121 e.v.
Zie ook Teichmann 2023, p. 133: “The Federal Court of Justice (…) also points to a responsibility of the shareholders submitting the questions. They should restrict themselves to material details and make their questions as specific as possible.”
Zie Decher 2018, nr. 122-123.
Zie Teichmann 2023, p. 132-133. Vgl. Decher 2018, nr. 174.
Deze limitatieve opsomming laat onverlet dat het Auskunftsrecht ook wordt beperkt door Duitse doctrine over de goede trouw en misbruik van recht, aldus Decher 2018, nr. 361.
Relevante Duitse wettekst: “Der Vorstand darf die Auskunft verweigern,1. soweit die Erteilung der Auskunft nach vernünftiger kaufmännischer Beurteilung geeignet ist, der Gesellschaft oder einem verbundenen Unternehmen einen nicht unerheblichen Nachteil zuzufügen;2. soweit sie sich auf steuerliche Wertansätze oder die Höhe einzelner Steuern bezieht;3. über den Unterschied zwischen dem Wert, mit dem Gegenstände in der Jahresbilanz angesetzt worden sind, und einem höheren Wert dieser Gegenstände, es sei denn, daß die Hauptversammlung den Jahresabschluß feststellt;4. über die Bilanzierungs- und Bewertungsmethoden, soweit die Angabe dieser Methoden im Anhang ausreicht, um ein den tatsächlichen Verhältnissen entsprechendes Bild der Vermögens-, Finanz- und Ertragslage der Gesellschaft im Sinne des § 264 Abs. 2 des Handelsgesetzbuchs zu vermitteln; dies gilt nicht, wenn die Hauptversammlung den Jahresabschluß feststellt;5. soweit sich der Vorstand durch die Erteilung der Auskunft strafbar machen würde;6. soweit bei einem Kreditinstitut, einem Finanzdienstleistungsinstitut oder einem Wertpapierinstitut Angaben über angewandte Bilanzierungs- und Bewertungsmethoden sowie vorgenommene Verrechnungen im Jahresabschluß, Lageabericht, Konzernabschluß oder Konzernlagebericht nicht gemacht zu werden brauchen;7. soweit die Auskunft auf der Internetseite der Gesellschaft über mindestens sieben Tage vor Beginn und in der Hauptversammlung durchgängig zugänglich ist. Aus anderen Gründen darf die Auskunft nicht verweigert werden.”
Zie Decher 2018, nr. 362: “In der Spruchpraxis hat der Auskunftsverweigerungsgrund des § 131 Abs 3 Satz 1 Nr 1 erhebliche bedeutung: nach der fehlenden Erforderlichkeit der Auskunft (…) wird die Nicherteilung von Auskünften von den Gereichten ams häfigsten im Hunblick auf diesen Auskunftsverweigerungsgrund als rechtmaßig bestätigt.”
Zie Decher 2018, nr. 362-363.
Zie Decher 2018, nr. 363.
Zie Decher 2018, nr. 364-365.
Vgl. Decher 2018, nr. 122.
Zie Decher 2018, nr. 2: “Gemäß § 112 Abs 3 AktG 1937 durfte die Auskunft nur soweit verweigert werden, wie überwiegende Belangen der Gesellschaft oder eines beteiligten Unternehmens oder der gemeinsame Nutzen von Volk und Reich es fordern. Ob diese Voraussetzung vorlag, entschied der Vorstand nacht pflichtgemäßem Ermessen.”
Zie Decher 2018, nr. 3.
Zie Grosheide 1959, p. 19.
Zoals ik hiervoor reeds toelichtte, heeft het Duitse Auskunftsrecht voor de AG, de Duitse tegenhanger van onze NV, mede ter inspiratie gediend voor het Nederlands recht op inlichtingen. Om die reden schets ik kort ter inspiratie de hoofdlijnen van deze Duitse regeling.
Kort samengevat, hebben aandeelhouders op grond van § 131 AktG ter vergadering het recht om ter vergadering vragen te stellen over de vennootschap, alsmede met haar verbonden vennootschappen, indien en voor zover nodig voor een behoorlijke beoordeling van een gegeven agendapunt.1 Er wordt veel belang gehecht aan een ordelijk verloop van de vergadering,2 waarbij van aandeelhouders wordt verwacht dat zij zich terughoudend opstellen en concrete, ter zake dienende vragen stellen.3 De reikwijdte van het Auskunftsrecht wordt beperkt uitgelegd.4 Pogingen om deze reikwijdte op te rekken, bijvoorbeeld door in het kader van een voorgesteld dechargebesluit gedetailleerde vragen te stellen over het algemene ondernemingsbeleid,5 zijn door de Duitse rechter afgewezen.
Het derde lid van deze bepaling voorziet in een zevental limitatief opgesomde weigeringsgronden.6 Vrij vertaald, kan een informatieverzoek ter vergadering die binnen de genoemde reikwijdte valt worden geweigerd indien en voor zover:
de vennootschapsleiding redelijkerwijs inschat dat verstrekking van de informatie een niet-verwaarloosbaar nadeel voor de vennootschap of de met haar verbonden onderneming met zich brengt;
de verzochte informatie betrekking heeft op fiscale waarderingen of de hoogte van belastingen;
de informatie ziet op het verschil tussen de balanswaarde van een bepaald object, en de ‘echte’ hogere waarde, tenzij de jaarrekening wordt vastgesteld;
de informatie ziet op de boekhoud- of waarderingsmethoden, voor zover het vereiste inzicht kan worden gegeven door deze methoden te vermelden in de toelichting bij de jaarrekening, tenzij de jaarrekening wordt vastgesteld;
verstrekking van de informatie strafbaar zou zijn voor de vennootschapsleiding;
bij een kredietinstelling, een financiële dienstverlenende instelling of een effecteninstelling geen informatie hoeft te worden verstrekt over de toegepaste boekhoud- en waarderingsmethoden en de verrekeningen in de jaarrekening, het bestuursverslag, de geconsolideerde jaarrekening of het groepsverslag; of
de informatie toegankelijk is op de website van de vennootschap gedurende ten minste zeven dagen vóór de aanvang van en tijdens de vergadering.7
In de praktijk blijkt met name deze eerste weigeringsgrond van belang.8 Deze weigeringsgrond vereist, net als het Nederlandse zwaarwichtig belang-criterium, een belangenafweging.9 Een belangrijk verschil met de Nederlandse regeling is echter dat dit geen uitzonderingsgrond betreft die restrictief moet worden uitgelegd.10 Daarbij zal eerder sprake zijn van een ‘niet-verwaarloosbaar nadeel’ dan van een ‘zwaarwichtig belang’ als bedoeld in de Nederlandse regeling. Het begrip ‘nadeel’ wordt overigens breed uitgelegd en omvat meer dan alleen (mogelijke) vermogensschade, en er wordt soepel omgegaan met het causaal verband.11
Als gevolg van de strenge eisen die worden gesteld aan de reikwijdte van de door aandeelhouders gestelde vragen, alsmede deze brede en open weigeringsgrond waarop de vennootschapsleiding zich kan beroepen, lijkt het Duitse Auskunftsrecht bij de AG beperkter dan het Nederlands recht op inlichtingen. Het Duitse Auskunftsrecht biedt meer mogelijkheden dan het Nederlandse recht op inlichtingen om informatieverstrekking te weigeren. In de praktijk lijken bestuurders van Duitse AG’s overigens vaak geneigd zich welwillend op te stellen in de beantwoording van vragen,12 als gevolg waarvan de praktische uitwerking van de Duitse regeling mogelijk niet veel zal verschillen van die van de Nederlandse regeling.
Indien het Duitse Auskunftsrecht als inspiratie heeft gediend voor het Nederlands recht op inlichtingen, vanwaar dan dit verschil in reikwijdte? Ik vermoed dat de keuze van de Nederlandse wetgever met name verklaarbaar is vanuit de discussie over het recht op inlichtingen, waarin werd aangedrongen op een versterking van de positie van de aandeelhouder. Daarbij past een breed informatierecht. De Nederlandse wetgever heeft er blijkens de parlementaire geschiedenis bewust voor gekozen een breed recht op inlichtingen te introduceren, waarbij slechts in uitzonderingsgevallen een beroep kan worden gedaan op de wettelijke weigeringsgrond.
Opvallend is wel dat de reikwijdte van het Auskunftsrecht bij zijn invoering in 1937 niet was beperkt tot de agendapunten en dat destijds het zwaarwichtig belang van de vennootschap gold als weigeringsgrond,13 zoals de Nederlandse regeling. De reikwijdte van het Auskunftsrecht is pas in 1965 ingeperkt.14 Hoewel de discussie over het recht op inlichtingen is ontstaan vóór de wetswijziging van 1965, heb ik niet het idee dat de oude Duitse regeling model heeft gestaan voor het Nederlands recht op inlichtingen. In zijn preadvies uit 1959 verwees Grosheide bijvoorbeeld al naar een ontwerp voor de herziening van het Auskunftsrecht waarin de hiervoor genoemde weigeringsgrond van het ‘niet-verwaarloosbaar nadeel’ reeds was opgenomen.15 Ook breng ik in herinnering dat het oorspronkelijke voorstel van de Commissie Verdam uit 1964 uitging van een lagere drempel voor de weigering informatie te verstrekken. Dit wijst er eens te meer op dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een breed recht op inlichtingen.