De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/467:467 De exclusieve vertegenwoordigingsbevoegdheid
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/467
467 De exclusieve vertegenwoordigingsbevoegdheid
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367879:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een belangrijke bouwsteen voor de conclusie, dat in de literatuur ten onrechte wordt verondersteld dat het huidige vennootschapsrechtelijke systeem ertoe leidt dat de bezoldiging, zoals vastgesteld bij besluit, kan afwijken van de bezoldiging zoals opgenomen in de (arbeids)overeenkomst, is dat met de wettelijke regels omtrent het benoemen, ontslaan en bezoldigen van bestuurders mijns inziens wordt afgeweken van de normale vertegenwoordigingsregels. Deze wettelijke beperking heeft betrekking op de (gehele) vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur ex art. 2:130 lid 1 BW. De gedachte dat er sprake is van een wettelijke beperking van de omvang of autonomie van de vertegenwoordigingsbevoegdheid op grond van art. 2:130 lid 3 BW is naar mijn mening dus eveneens onjuist. Het orgaan dat bevoegd is de bezoldiging vast te stellen op grond van art. 2:135 lid 4 BW kan als enige de vennootschap binden aan een bepaalde bezoldiging. Hieruit vloeit voort dat het desbetreffende orgaan naar mijn mening ook – bij uitsluiting van enig ander orgaan – bevoegd is bezoldigingsafspraken schriftelijk overeen te komen namens de vennootschap met de bestuurder.
Bij het aangaan van de arbeids- of opdrachtovereenkomst is het orgaan dat bevoegd is te benoemen dus in beginsel bevoegd deze te ondertekenen wat betreft de aanstelling, opzegtermijn en andere onderwerpen, niet zijnde bezoldigingsbepalingen. Het orgaan dat bevoegd is de bezoldiging vast te stellen is mijns inziens exclusief bevoegd de vennootschap te binden aan bezoldigingsafspraken. Wanneer de bevoegdheid tot het aangaan van een (arbeids)overeenkomst bij een ander orgaan ligt dan het orgaan dat bevoegd is tot het vaststellen van de bezoldiging, zal dat laatste orgaan dus, om de vennootschap rechtsgeldig aan deze bezoldigingsbepalingen te binden, mede de (arbeids)overeenkomst moeten ondertekenen.
Hoewel de huidige wettelijke regeling volstaat, zou ik de wetgever willen aanbevelen om art. 2:135 lid 4 BW aan te passen om voornoemde onduidelijkheden weg te nemen. Allereerst zou expliciet kunnen worden opgenomen dat art. 2:135 lid 4 BW een specifieke vertegenwoordigingsbepaling behelst, waarmee wordt afgeweken van de reguliere vertegenwoordigingsregels zoals opgenomen in art. 2:130 BW. In het verlengde hiervan kan afscheid worden genomen van de term ‘vaststellen’, een term die nog stamt uit de tijd waarin de algemene vergadering eenzijdig de bezoldiging van de bestuurder bepaalde. De wetgever zou kunnen verduidelijken dat het op grond van art. 2:135 lid 4 BW aangewezen orgaan bevoegd is om de vennootschap aan een bepaalde bezoldiging te binden, bij besluit dan wel bij overeenkomst.