De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/210:210 Verschil in ‘passende hoogte’ tussen Abs 1 en 2
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/210
210 Verschil in ‘passende hoogte’ tussen Abs 1 en 2
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364141:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Schlegelberger e.a. 1937, p. 347/348.
Abs. 2 beperkt de werking van het aanpassingsrecht overigens niet tot de duur van de verslechterde situatie van de vennootschap. De bestuurder heeft na verbetering van de situatie van de vennootschap niet automatisch recht op aanpassing van zijn bezoldiging naar de oude hoogte. Schlegelberger e.a. 1937, p. 348.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het feit dat de raad van commissarissen bevoegd is op grond van Abs. 2 de totale bezoldiging aan te passen tot een passende hoogte volgt niet, dat de raad van commissarissen de totale bezoldiging tot een in de zin van Abs. 1 passend bedrag mag aanpassen. Of een hoogte passend is, hangt in dit geval – in tegenstelling tot in Abs. 1 – af van de vraag welke hoogte voor de vennootschap draagbaar is oftewel niet meer aan te merken is als een ‘schwere Unbilligkeit’.1 Een verdere aanpassing is op basis van de wet niet toelaatbaar.2