Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3.3:6.3.3.3 Verhouding tot het Unierecht
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3.3
6.3.3.3 Verhouding tot het Unierecht
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499140:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf is de verhouding tot het (fiscale) Unierecht1 een aantal keren boven komen drijven. Allereerst heb ik stilgestaan bij de problematiek rondom het schuldeisersakkoord. Ik ben daarbij onder meer ingegaan op vraag of de Belastingdienst bij deelname aan een akkoord verplicht is om volledige betaling van de btw te eisen, aangezien de btw tot de eigen middelen van de EU behoort. Aan de hand van rechtspraak van het HvJ heb ik geconcludeerd dat de Nederlandse regeling, op basis waarvan btw-vorderingen gedeeltelijk worden kwijtgescholden, niet strijdig moet worden geacht met het Unierecht. Vervolgens heb ik de btw-perikelen bij het verbindend worden van de slotuitdelingslijst behandeld. Ik heb mijn twijfels geuit of de handelwijze van de Belastingdienst verenigbaar is met de wettelijke systematiek. Ook bij de houdbaarheid in het licht van het Unierecht kunnen vraagtekens worden gezet. Op basis van het Unierecht zou de Belastingdienst namelijk alleen in gevallen van niet-betaling (waaronder de onzekere gevallen) een naheffingsaanslag moeten kunnen opleggen. Hoewel ik mij kan voorstellen dat dit bij een faillissement vaak het geval is, hoeft dit gelet op de aard van een faillissement2 niet altijd het geval te zijn (in enkele gevallen kan betaling bijvoorbeeld wel in lijn der verwachting liggen). Door in ieder faillissement zonder nadere toetsing een naheffingsaanslag op te leggen, gaat de Belastingdienst naar mij idee voorbij aan de inhoud van het Unierecht. Daar staat tegenover dat de vermindering van de naheffingsaanslag op bijval kan rekenen vanuit de praktijk. Ervan uitgaande dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, lijkt het Unierecht een dergelijke verlaging echter niet toe te staan (zie uitgebreid paragraaf 6.3.4.4).