Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.4.4:5.2.4.4 Allure (2021)
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.4.4
5.2.4.4 Allure (2021)
1
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971984:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit is een bewerking van mijn annotatie onder JOR 2021/296.
Zie Hof Amsterdam (OK) 24 augustus 2021, JOR 2021/296 m.nt. P.L. Hezer (Allure).
Zie Hof Amsterdam (OK) 24 augustus 2021, JOR 2021/296 m.nt. P.L. Hezer (Allure), r.o. 4.10.
Deze uitkomst staat niet op zichzelf. Zo kwam de Ondernemingskamer in 2017 tot eenzelfde oordeel in De Leege Landen, een beschikking die zag op een 50/50 joint venture waarbij één partner niet in het bestuur was vertegenwoordigd (zie Hof Amsterdam (OK) 12 juli 2017, ARO 2017/154 (De Leege Landen), r.o. 3.8).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 2021 wees de Ondernemingskamer haar beschikking inzake Allure.2 Allure was in 2013 opgericht door Herder met financiële steun van Van Teeffelen, die in ruil daarvoor onder meer een optierecht kreeg voor 50% van de aandelen in de vennootschap. Herder was vanaf de oprichting enig bestuurder van Allure en hield aanvankelijk indirect, via Mope B.V., ook alle aandelen in haar kapitaal. In november 2019 verkreeg een aan Van Teeffelen gelieerde vennootschap, Holding 3274 B.V., 50% van de aandelen in Allure na uitoefening van het eerdergenoemde optierecht. Op dat moment was reeds sprake van een hoogoplopend geschil tussen Herder en Van Teeffelen. In de daaruit voortvloeiende enquêteprocedure maakte Van Teeffelen onder meer het verwijt dat (het bestuur van) Allure onzorgvuldig zou zijn omgegaan met tegenstrijdige belangen bij (i) het overhevelen van klanten van Allure naar een andere dochtervennootschap van Mope; alsmede (ii) de onduidelijke wijze waarop kosten van dochtervennootschappen van Mope waren doorbelast aan Allure. Van Teeffelen zou onvoldoende zijn geïnformeerd ter zake. De Ondernemingskamer volgde Van Teeffelen en concludeerde dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Allure, mede vanwege de gebrekkige informatieverstrekking.
De Ondernemingskamer overwoog – in lijn met de eerder aangehaalde uitspraken – dat onder bijzondere omstandigheden op (het bestuur van) de vennootschap uit hoofde van artikel 2:8 BW een bijzondere zorgplicht rustte die noopt tot informatieverstrekking aan de aandeelhouders.3 Dergelijke bijzondere omstandigheden deden zich hier volgens de Ondernemingskamer voor, in welk verband zij verwees naar het gegeven dat Van Teeffelen 50% van de aandelen houdt en – anders dan Herder – niet in het bestuur is vertegenwoordigd. Uit die zorgplicht zou vervolgens voortvloeien dat de vennootschap “ruimhartig openheid van zaken moet verschaffen met betrekking tot het reilen en zeilen van Allure”, waarmee kennelijk wordt bedoeld de gang van zaken binnen de vennootschap. Dat gold te meer indien sprake is van (mogelijke) tegenstrijdige belangen, aldus de Ondernemingskamer. Mijn lezing van Allure is dat de Ondernemingskamer het informatierecht van Van Teeffelen koppelde aan de (mogelijke) tegenstrijdige belangen binnen het bestuur. Daarmee is sprake van een ad hoc informatierecht van de 50%-aandeelhouder.4
Vanwaar nu het verschil tussen de 50%-aandeelhouder in Allure en de 50%-aandeelhouder in Brouwer Bloembollen die, als gezegd, een doorlopend informatierecht toekwam? Het verschil tussen deze beide beschikkingen kan worden verklaard door het verschil in de aard van beide samenwerkingsverbanden. De onderneming in Brouwer Bloembollen werd op gelijkwaardige basis gedreven door twee broers, die reeds lange tijd nauw betrokken waren bij de bedrijfsvoering en aan ‘hun’ familiebedrijf waren verknocht. Het zeer besloten samenwerkingsverband tussen deze broers was weliswaar gestructureerd in een BV, maar van een wezenlijke scheiding tussen kapitaal en leiding was geen sprake. Het betrof een voorbeeld van een quasi-VOF zoals ik die eerder besprak. Ik acht een doorlopend informatierecht dan gerechtvaardigd.
Dat lag anders in Allure, waarin Van Teeffelen slechts aandeelhouder was geworden omdat hij ‘toevallig’ een optierecht had uitgeoefend. Van Teeffelen stond verder op afstand van de vennootschap en had bijvoorbeeld geen relevante betrokkenheid bij de onderneming gedreven door Allure; alleen Herder was operationeel betrokken. Hier was juist wel sprake van een duidelijke scheiding tussen kapitaal en leiding. Daarbij past een ad hoc informatierecht om Van Teeffelen te beschermen tegen (mogelijke) belangenverstrengeling in het bestuur van Allure.