Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.2.1.2
6.3.2.1.2 Het redelijkheidscriterium vanaf 2017
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS497835:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 34-35 (MvT).
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 10 (MvT).
Of, zoals Van Vliet 1983 (p. 1381) het in het licht van art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (tot 2017) eerder gevat verwoordde: ‘aangezien in deze wereld niets zeker is, kan het geruime tijd duren voor vaststaat dat de leverancier de vergoeding niet zal ontvangen.’ Dit geldt zelfs wanneer het faillissement van de debiteur geheel is afgewikkeld, aangezien nooit met zekerheid kan worden uitgesloten dat nieuwe middelen beschikbaar komen om schuldeisers te compenseren. Het kan volgens Van Vliet dus niet zo zijn dat wordt vastgehouden aan een strikte wetsinterpretatie. Een redelijkheidscriterium is simpelweg noodzakelijk.
Dit zou anders kunnen zijn in het – wellicht theoretische – geval, waarin een derde namens de debiteur zorgdraagt voor een betaling, omdat de debiteur bijvoorbeeld in staat van faillissement verkeerd, waarbij duidelijk is dat de boedel ontoereikend is om betalingen te doen. Hier kan tegen worden ingebracht dat de enkele mogelijkheid dat een derde de vergoeding namens de debiteur zal voldoen impliceert dat de niet-betaling niet reeds voorshands (definitief) is komen vast te staan.
Behoudens de vervanging van de tweejaarstermijn door een éénjaarstermijn vormt het vervallen van het woord ‘redelijkerwijs’ met de invoering van art. 29 lid 7 Wet OB 1968 op het oog waarschijnlijk de meest ingrijpende wijziging ten opzichte van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) voor de debiteur. Daar waar art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) nog voorschreef dat de ‘correctie vooraftrek’ gemaakt moest worden op het tijdstip waarop en voor zover redelijkerwijs moest worden aangenomen dat de vergoeding niet zou worden betaald c.q. zou worden terugontvangen (zie hiervoor), schrijft art. 29 lid 7 Wet OB 1968 voor dat de verplichting tot herziening ontstaat op het moment waarop komt vast te staan dat de afnemer de vergoeding niet zal betalen of heeft terugontvangen. Of het redelijkheidscriterium daarmee tot het verleden moet worden gerekend is nog maar de vraag.
In de artikelsgewijze toelichting bij art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017) lijkt de wetgever deze vraag bevestigend te beantwoorden:1
“Daarnaast wordt een ondernemer waarvoor op enig moment vast staat dat hij de vergoeding voor de aan hem geleverde goederen of diensten geheel of gedeeltelijk niet zal betalen, op dat tijdstip de ter zake van die prestaties in aftrek gebrachte voorbelasting naar evenredigheid als omzetbelasting verschuldigd. (...) Ook kan er sprake zijn van gehele of gedeeltelijke niet-betaling door de afnemende ondernemer, bijvoorbeeld wanneer deze in financiële moeilijkheden verkeert. Ook in die gevallen moet de reeds afgetrokken voorbelasting naar evenredigheid worden gecorrigeerd op het tijdstip waarop vast komt te staan dat de vordering geheel of gedeeltelijk niet zal worden betaald.”
In samenhang gelezen met de wettekst laat deze passage in de parlementaire geschiedenis weinig ruimte voor een andersluidende conclusie. Desondanks meen ik dat de wet niet zo strikt moet worden uitgelegd en het antwoord op de vraag negatief moet luiden. Overeenkomstig hetgeen ik met betrekking tot het recht op teruggaaf ex art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) heb betoogd (paragraaf 4.3.2.1), ben ik van mening dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat het redelijkheidscriterium ook onder het huidige art. 29 lid 7 Wet OB 1968 moet gelden. Ik memoreer dat de decodificatie van het redelijkheidscriterium er enkel op gericht lijkt te zijn om de verplichting tot herziening bij de debiteur woordelijk te doen aansluiten op het recht op teruggaaf bij de crediteur (paragraaf 6.2.2).
Dat de wetgever mogelijk toch ook een redelijke wetstoepassing voor ogen heeft, zou met enige goede wil kunnen worden opgemaakt uit de algemene toelichting bij art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017). Ofschoon het woord ‘redelijkerwijs’ in de wettekst ontbreekt, wordt in de memorie van toelichting opgemerkt (met cursivering van mijn hand):2
“Als spiegelbeeld van de btw-teruggaaf voor oninbare vorderingen voor de ondernemer die de prestatie verricht, bevat de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) een correctiebepaling voor de terugbetaling van de door zijn afnemer in aftrek gebrachte btw. Die correctie vindt plaats wanneer de afnemer naar redelijkerwijs moet worden aangenomen, de vergoeding waarop die aftrek betrekking heeft geheel of gedeeltelijk niet zal betalen. Daarbij geldt onder de huidige regeling dat die correctie in ieder geval plaatsvindt bij het verstrijken van twee jaren na het opeisbaar worden van de vergoeding, voor zover deze dan nog niet is betaald. Het kabinet stelt voor deze termijn te verkorten tot één jaar en binnen die termijn alleen een correctie toe te passen wanneer vaststaat dat de vergoeding niet zal worden betaald. Hiermee wordt de regeling voor de correctie van door de afnemer in aftrek gebrachte btw op één lijn gebracht met de regeling voor het recht op teruggaaf van de ondernemer die de niet-betaalde prestatie heeft verricht.”
Hierbij moet meteen worden opgemerkt dat deze passage voor meer dan een uitleg vatbaar is. Zo is onduidelijk of de wetgever met het woord ‘redelijkerwijs’ doelt op de voorgestelde regeling (lees: de huidige regeling) of enkel de oude regeling voor ogen had. Volgehouden kan worden dat de woorden ‘wanneer vaststaat’ enkel betrekking hebben op het voorstel van de wetgever om de tweejaarstermijn te verkorten en als zodanig niet moeten worden opgevat als expliciete nuancering op het redelijkheidscriterium.3 Daarnaast kan overeenkomstig mijn betoog met betrekking tot art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) ook hier worden verdedigd dat de additionele correctiemogelijkheid (art. 29 lid 8 Wet OB 1968) bij een strikte wetsinterpretatie zinledig zou zijn. Immers: wanneer is komen vast te staan dat een ondernemer de vergoeding niet zal betalen, kan van een betaling alsnog geen sprake meer zijn. Aan de mogelijkheid van een ‘betaling alsnog’ gaat immers de presumptie vooraf dat aanvankelijk onzekerheid bestaat over de betaling.4 Ook dit maakt dat het redelijkheidscriterium naar mijn mening niet tot het verleden mag worden gerekend.