De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/3.7.4.1:3.7.4.1 De vervreemder heeft een or, de verkrijger niet
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/3.7.4.1
3.7.4.1 De vervreemder heeft een or, de verkrijger niet
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS388503:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit heb ik eerder samen met Beltzer opgemerkt in: ‘R.M. Beltzer, I. Zaal, ‘Medezeggenschap na overgang van onderneming’, Ondernemingsrecht 2009, 97.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer de onderneming van de vervreemder als eenheid blijft bestaan, gaat de or mee over. Wanneer de verkrijger geen or heeft ingesteld, bijvoorbeeld omdat hij minder dan 50 werknemers in dienst heeft, rijst de vraag of de or van de vervreemder ook het personeel van de verkrijger vertegenwoordigt. Omdat er in een dergelijk geval sprake is van een zelfstandige organisatorische eenheid – de eenheid is immers blijven bestaan – kan in principe worden gesteld dat de or alleen het overgegane personeel blijft vertegenwoordigen. Vele besluiten zullen echter na overgang zowel het overgenomen personeel als het personeel van de verkrijger betreffen.
Wanneer de or alleen het overgenomen personeel vertegenwoordigt, ontstaat ongelijkheid tussen de overgekomen werknemers en de werknemers van de verkrijger. Bovendien kan het zijn dat in de periode na overgang van onderneming verschillende belangrijke (voorgenomen) besluiten worden genomen die advies- dan wel instemmingsplichtig zijn. De organisatie zal immers worden aangepast aan de nieuwe situatie. Een or die slechts een deel van het personeel vertegenwoordigt, lijkt me in dat geval niet wenselijk.
Strikt genomen vertegenwoordigt de or van de vervreemder het personeel van de verkrijger overigens niet, omdat zij geen invloed hebben gehad op de samenstelling van de or. Dit doet zich weliswaar ook voor bij nieuw aangenomen personeel gedurende de zittingsperiode van de or. In deze situatie gaat het echter om een zeer wezenlijk deel van het personeel.
Een tijdelijke uitbreiding van de or om recht te doen aan de getalsverhoudingen tussen zittend en overgenomen personeel, is op grond van art. 6 WOR niet mogelijk. Art. 6 lid 6 WOR bepaalt immers dat een uitbreiding van het aantal leden tijdens de zittingsduur van de or niet mogelijk is. Voor ontslag van een deel van de or-leden van de vervreemder en het vervangen van deze leden door or-leden vanuit het personeel van de verkrijger is ook geen wettelijke grondslag te vinden.1 Wel is het mogelijk dat na de overgang een gemeenschappelijke or in de zin van art. 3 WOR wordt ingesteld. Dat de onderneming van de verkrijger niet voldoet aan het criterium van art. 2 WOR, is hierbij niet van belang. Een gemeenschappelijke or kan immers ook worden ingesteld voor de situatie dat meerdere ondernemingen afzonderlijk niet aan het vereiste van art. 2 WOR voldoen, maar gezamenlijk wel. In het geval van een overgang van onderneming, lijkt mij een gemeenschappelijke or in het belang van de goede toepassing van de wet.