Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.3.4.1
5.3.4.1 Op welke actoren rust de verplichting informatie te verstrekken?
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971876:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel de redactie artikel van 2:8 BW uitgaat van een enkelvoudige structuur, kunnen ook organisatorisch verbonden rechtspersonen alsmede de personen die krachtens wet en statuten bij hun organisatie zijn betrokken onder deze reikwijdte vallen. Zie HR 22 september 2023, JOR 2024/1 m.nt. E.C.H.J. Lokin (Funda), r.o. 3.7.
Zie Koelemeijer (diss.) 1999, p. 21 e.v.
Artikel 2:5 BW.
Zie HR 1 maart 2002, NJ 2002/296 m.nt. J.M.M. Maeijer (Zwagerman), r.o. 3.4; en par. 5.2.4 hiervoor.
Zie Van Olffen 2012, p. 373. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.7.
Zie par. 4.3.1 hiervoor.
Als gezegd, is de juridische grondslag voor de zorgplicht waaruit het informatierecht buiten vergadering volgt, gelegen in artikel 2:8 BW. Artikel 2:8 lid 1 BW is gericht tot de vennootschap en degenen die krachtens de wet en statuten bij haar organisatie zijn betrokken.1 Binnen deze kring van institutioneel betrokkenen vallen onder meer (de leden van) de vennootschapsleiding en de individuele aandeelhouders. De rechten en verplichtingen van deze institutioneel betrokkenen zijn naast de wet en statuten ook vastgelegd in de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.2 Zowel de vennootschap als deze institutioneel betrokkenen moeten zich jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Daaruit volgt niet alleen dat de institutioneel betrokkenen onderling zorgvuldigheid dienen te betrachten, maar ook jegens de vennootschap en de vennootschap – als zelfstandig drager van rechten en verplichtingen3 – op haar beurt ook jegens hen.
In Zwagerman sprak de Hoge Raad van een zorgplicht die rust op de vennootschap.4 Dat komt mij juist voor. Van Olffen heeft betoogd dat de zorgplicht niet rust op de vennootschap, maar dat het “met name de bestuurders, commissarissen en aandeelhouders [zijn] die zich de norm moeten aantrekken”.5 Op dit laatste punt volg ik Van Olffen: de vennootschap kan immers slechts handelen door haar organen, als gevolg waarvan de gedragsnorm van artikel 2:8 BW zich met name tot hen zal richten. Dat sluit mijns inziens echter niet uit dat de betreffende zorgplicht rust op de vennootschap. Ik zie daartegen ook geen dogmatische bezwaren. Ook de vennootschap is immers normadressaat onder artikel 2:8 BW. Anders dan het recht op inlichtingen van artikel 2:107/217 lid 2 BW,6 heeft de hier bedoelde zorgplicht bovendien geen verantwoordingsfunctie. Het informatierecht buiten vergadering dient immers om de rechten van de betrokken aandeelhouders in voorkomende gevallen te beschermen en/of te bevorderen. Ook om die reden ligt het voor de hand dat de zorgplicht rust op de vennootschap en niet op de vennootschapsleiding of haar individuele leden.
De zorgplicht rust kortom op de vennootschap en het is daarmee ook de vennootschap op wie de verplichting rust om de betreffende informatie te verstrekken. Dit sluit aan bij het gegeven dat aandeelhouders in voorkomende gevallen recht hebben op informatie die toebehoort aan de vennootschap. Concreet betekent dit dat de vennootschapsleiding in het kader van haar taakuitoefening zorg dient te dragen dat het informatierecht op juiste wijze in acht wordt genomen. De verplichting tot informatieverstrekking rust dus de facto op de vennootschapsleiding, maar de jure op de vennootschap. De ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder kan zich derhalve in voorkomende gevallen tot de vennootschap wenden.