De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/162:162 Overige perverse effecten van benchmarken
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/162
162 Overige perverse effecten van benchmarken
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371398:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
DiPrete, Eirich & Pittinsky 2010, p. 1671–1712.
DiPrete, Eirich & Pittinsky 2010, p. 1671–1712. Zie tevens Elson & Ferrere 2012, p. 15.
De jaren met de grootste toename van de bezoldiging van bestuurders, 2006, 2007 en 2008, zijn in dit overzicht niet meegenomen. Zie ook Winter 2010, p. 7.
CPB 2010.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een derde punt van kritiek dat minder vaak wordt gehoord, heeft betrekking op enkele andere perverse effecten van benchmarken. Uit het onderzoek van DiPrete, Eirich en Pittinsky blijkt dat, door het mechanisme van het referentiegroepsproces, excessieve bezoldiging van slechts een relatief klein deel van bestuurders al een significant effect kan hebben op de bezoldigingsniveaus van de overige bestuurders in dezelfde referentiegroep.1 Als immers een paar bestuurders ‘te veel’ betaald krijgen, dan verspreiden deze te hoge betalingen zich door middel van het referentiegroepsproces onder de andere bestuurders. Het te veel betalen van bestuurders in een onderneming heeft door het referentiegroepsproces dus effect op alle ondernemingen die als referenten met elkaar verbonden zijn.
Deze perverse effecten spelen niet alleen in het geval dat een bestuurder ten onrechte excessief beloond wordt, maar tevens indien een bestuurder op basis van uitzonderlijke prestaties een extra hoge bezoldiging ontvangt. Niet van belang is immers waarom bestuurders van vergelijkbare ondernemingen een bepaald bezoldigingsniveau krijgen, maar slechts hoeveel zij krijgen. In het positieve geval dat een uitzonderlijk presterende bestuurder vanwege zijn prestaties een extra hoge bezoldiging krijgt, profiteren ook de middelmatig presterende bestuurders van zijn verdienste, enkel omdat zij als referenten in dezelfde referentiegroep vallen. Een individuele bestuurder kan een fenomenale prestatie leveren en dienovereenkomstig beloond worden. Er is echter geen reden te bedenken waarom die individuele bijdrage aan die specifieke onderneming relevant zou zijn voor de individuele acties van iemand anders bij een andere onderneming.2
Het opdrijvend effect door gebruik te maken van referentiegroepen is de afgelopen decennia alomvertegenwoordigd geweest en wordt gezien als de belangrijkste reden waarom de bezoldiging van bestuurders vele malen sneller is toegenomen in verhouding tot de prestaties van beursgenoteerde ondernemingen. Onderzoek van het Centraal Plan Bureau laat zien dat het gemiddelde inkomen van bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen in Nederland in de periode tussen 1999 en 2005 jaarlijks is toegenomen met 9% terwijl de toegevoegde economische waarde en winsten in deze periode over het algemeen niet toegenomen zijn.3 Volgens het CPB kan slechts 4,8% van de 9% worden verklaard door inflatie, schaalvergroting en vergrijzing. De overige 4,2% kan niet worden verklaard op basis van de ontwikkelingen die ondernemingen in deze periode doormaakten.4