Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.2.4.4
3.2.4.4 Verjaring
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS619750:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Huijgen 2008a.
Zie onder meer 1-11( 3 mei 1996, NJ 1996, 501 (erfdienstbaarheid door veijaring werd niet bewezen geacht), 1-11( 13 oktober 2003, NJ 2004, 38 (een eigenaar van een perceel kan zich niet tegelijkertijd gedragen als beperkt gerechtigde tot datzelfde perceel) en 1-11( 10 oktober 2008, NJ 2009, 1 (het standpunt dat de eigendom is verkregen door bezit en verjaring sluit de mogelijkheid uit dat door veijaring een beperkt recht is ontstaan).
In deze periode van één jaar kan een derde die een beter recht denkt te kunnen claimen ten aanzien van het net, een dagvaarding in laten schrijven conform artikel 3:27 BW. In deze situatie zal mogelijk nog wel een beroep op verjaring kunnen worden gedaan.
De aanlegger van een net is eigenaar van het net als het bevoegd is aangelegd, conform artikel 5:20, tweede lid BW. De vraag rijst of de aanlegger de eigendom van een net door verjaring kan verkrijgen in het geval hij niet bevoegd was tot aanleg. Stel: A legt een net in de grond van B aan zonder dat A daartoe bevoegd was. A gedraagt zich voor langere tijd als bezitter van het net en verricht bezitsdaden met betrekking tot het net. Kan A zich na tien jaar (bij goede trouw; A dacht mondelinge overeenstemming met B te hebben die, achteraf, niet juist blijkt te zijn), dan wel na twintig jaar (bij kwade trouw; A had helemaal geen toestemming van B) op verjaring beroepen? In beginsel geldt dat wanneer een aanlegger niet tot aanleg bevoegd is de horizontale natrekking nog kan gelden en dat A wellicht via die weg de eigendom van het net kan verkrijgen. Echter indien van horizontale natrekking geen sprake is, dan zal de `normale' natrekkingsregel gelden en dus zal B (als grondeigenaar) eigenaar zijn van het net. Na verloop van tien respectievelijk twintig jaar zal A de eigendom van dat net niet alsnog door verjaring kunnen claimen, aangezien het net als bestanddeel van de grond van B heeft te gelden. In een advies aan de KNB stelt ook Huijgen dat netten onder het oude recht niet door verkrijgende verjaring verkregen kunnen worden omdat men niet toekomt aan bezit te goeder trouw:1
`Onder het oude recht zou sowieso geen reden zijn om aan te nemen dat men rechthebbende op een zaak in de grond van een ander kon worden. Een net was immers zonder nadere regeling als zodanig geen zelfstandige zaak.'
De enige mogelijkheid voor A om de eigendom van het net door verjaring te kunnen opeisen is door een beroep te doen op verkrijgende verjaring van een opstalrecht met betrekking tot het net. Het aantonen van verkrijgende verjaring van een beperkt recht zal in de praktijk een lastige zaak kunnen zijn, maar theoretisch niet een onmogelijke. Immers beperkte rechten kunnen door vestiging én verjaring worden verkregen. Om het beroep op verjaring te laten slagen moet A bewijzen dat hij het onafgebroken bezit heeft gehad van het opstalrecht voor de duur van tien, dan wel twintig jaar. Of sprake is van bezit wordt naar verkeersopvatting beoordeeld. Van wezenlijk belang is wat de uiterlijke feiten zijn en dan met name de uitoefening van de feitelijke macht. Wie zich ten opzichte van het net als eigenaar heeft gedragen moet aan de hand van feitelijkheden worden onderzocht. Indien A enkel kan aantonen dat hij het net voor een onafgebroken periode van (zeg) twaalf jaar heeft gebruikt, zal hij niet voldoende hebben om aan te tonen dat hij daarmee ook als bezitter (van het opstalrecht) is opgetreden. Het (enkele) gebruik van een zaak kan even zo goed plaatsvinden als men de zaak voor een ander houdt. A zal derhalve meer moeten bewijzen, waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan bepaalde uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden aan of gedane investeringen ten behoeve van het net waaruit ondubbelzinnig het bezit van bijvoorbeeld een opstalrecht moet blijken. Als A daarvoor de grond heeft moeten open graven — en B heeft op dat moment géén eigendomsclaim neergelegd ten aanzien van het in zijn grond aanwezige net — dan is voorstelbaar dat A daarmee het bewijs heeft geleverd dat hij zich in genoemde periode als bezitter van dat opstalrecht heeft gedragen en B 'zijn bezit' tegenover A is verloren. Door middel van jurisprudentie zal echter duidelijk moeten worden of genoemde feitelijkheden als bezitsdaden van de aanlegger kunnen worden beschouwd. Uit bestaande jurisprudentie blijkt echter dat het niet eenvoudig is om aan te tonen dat men een beperkt recht door verjaring heeft verkregen.2
Overigens zal een beroep op verjaring niet veel praktisch nut hebben bij netten die vóór 1 februari 2007 zijn aangelegd. De nieuwe overgangsregeling in artikel 155a Overgangswet NBW (zie hierna par. 3.4.3) bepaalt namelijk dat degene die zich op 1 februari 2007 als eigenaar gedroeg, bevoegd is de aanleg van het net in te schrijven en dat net als eigenaar over te dragen. Deze overgangsregeling is tot stand gekomen omdat in de praktijk (zie hierna) veel problemen worden ondervonden om de bevoegdheid van de aanleg vast te stellen bij netten die al langere tijd geleden zijn aangelegd. Wanneer de vermoedelijke eigenaar het net heeft ingeschreven en dit feit heeft gepubliceerd in de Staatscourant en een landelijk dagblad, gaat een (verval)termijn lopen van één jaar.3 Na het verstrijken van dat jaar mag de vermoedelijke aanlegger zich conform artikel 5:20, tweede lid BW als volwaardig eigenaar beschouwen.