Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/113
113 Crowding out effect
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS372619:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kohn 1993, p. 69.
Zie onder meer Frey & Jegen 2001, p. 594/595; Heyman & Ariely 2004, p. 787-793; Gneezy & Rustichini 2000, p. 1-18; Frey & Oberholzer-Gee 1997, p. 746-755; Rummel & Feinberg 1988, p. 147-164; Tang & Hall 1995, p. 365-404; Wiersma 1992, p. 101-114; Lepper & Greene 1978; Lepper, Greene & Nisbett 1973, p. 129-137; Deci 1975. Zie anders Cameron & Pierce 1994, p. 363-423. Het meta-analytisch onderzoek van Cameron en Pierce ontving echter veel kritiek, onder meer met betrekking tot de toegepaste methodologie, waardoor als reactie nogmaals een meta-analytisch onderzoek is uitgevoerd. In dat onderzoek werd het bestaan van het crowding out effect nogmaals aangetoond, zie Deci, Koestner & Ryan 1999, p. 627-668.
Gneezy & Rustichini 2000, p. 1-18.
Het effect dat extrinsieke prikkels hebben op intrinsieke motivatie heeft in de loop der tijd verschillende benamingen gekregen, zoals “The hidden cost of reward” of “Corruption Effect”. In het onderstaande zal ik de verschillende benamingen voor het negatieve effect van extrinsieke prikkels op de intrinsieke motivatie vangen onder de noemer: crowding out effect.
Frey & Jegen 2001, p. 593.
Dit probleem staat bekend onder het “Not In My Back Yard” (NIMBY)-principe. Zie Frey & Oberholzer-Gee 1997, p. 746-755.
Zie onder andere O’Hare 1977, p. 409-458; Kunreuther & Kleindorfer 1986, p. 295-299.
Frey & Jegen 2001, p. 603/604. Eenzelfde resultaat vond men bij het aanwijzen van een plek voor nucleair afval in Nevada waar het toekennen van een belastingverlaging faalde om meer steun te vergaren, zie Kunreuther & Easterling 1990, p. 252-256.
Dat extrinsieke motivatie een slechte vervanger is van intrinsieke motivatie, zal weinig mensen choqueren. Verrassend is echter dat financiële prikkels geen neutrale uitwerking hebben op de intrinsieke motivatie, maar deze kunnen ondermijnen.1 En dat terwijl bestuurders zelf aangeven juist gedreven te worden door hun intrinsieke motivatie bij het vervullen van hun bestuursfunctie.
De pay-for-performancebenadering houdt geen rekening met de mogelijkheid dat financiële prikkels de intrinsieke motivatie kunnen verdrijven en daardoor de prestaties van de bestuurder op een negatieve manier kunnen beïnvloeden. Uit tal van onderzoeken, voornamelijk voortkomend uit de (sociale) psychologie, is gebleken dat financiële prikkels een desastreus effect kunnen hebben op de intrinsieke motivatie van mensen.2
Ter illustratie een voorbeeld. De kinderdagopvang wordt regelmatig geconfronteerd met het probleem dat ouders te laat komen om hun kinderen op te halen. De medewerkers ondervinden hierdoor nadeel, omdat ze tot ver na sluitingstijd moeten wachten. Vanuit economisch perspectief zou het probleem opgelost kunnen worden door het invoeren van een extrinsieke prikkel in de vorm van een boete voor het te laat ophalen van kinderen. Door het opleggen van een dergelijke boete zou men verwachten dat ouders aangezet worden om hun kinderen vaker op tijd op te halen.
Het effect van een dergelijke extrinsieke prikkel is bestudeerd voor de kinderdagopvang in Israël.3 Allereerst werd het aantal ouders dat hun kinderen te laat op kwam halen over een bepaalde periode bijgehouden. In een tweede periode uitgespreid over twaalf weken werd een significante monetaire boete geïntroduceerd voor het te laat ophalen van kinderen. In tegenstelling tot de verwachtingen nam, na een initiële leerfase, het aantal ouders dat te laat kwam substantieel toe. De introductie van de monetaire boete transformeerde de relatie tussen ouders en het personeel van een non-monetaire naar een monetaire. Het resultaat was, dat de intrinsieke motivatie van de ouders om zich aan het tijdschema te houden werd verminderd of zelfs verdween: het gevoel dat zij zich onbehoorlijk gedroegen en anderen tot last waren werd bij de ouders vervangen door de gedachte dat het personeel nu betaald werd voor het ongemak om langer te blijven.
De destructieve werking van het invoeren van monetaire prikkels bleef niet beperkt tot de periode waarin de extrinsieke prikkel werd aangeboden. Nadat het boetesysteem in de derde periode van het onderzoek weer was afgeschaft, bleef het aantal te laat komende ouders op hetzelfde niveau als ten tijde van het boetesysteem.
Het verdrijven van de intrinsieke motivatie door het introduceren van een extrinsieke prikkel wordt het ‘crowding out’ effect genoemd.4 In het geval waarin het crowding out effect voorkomt verminderen de financiële prikkels het prestatieniveau van de agent.5
Een ander onderzoek met betrekking tot het crowding out effect gaat over de problematiek rondom het vinden van een plek voor ongewenste projecten die in het belang zijn van een bepaalde samenleving.6 Voor veel verschillende projecten en grote investeringen bestaat enerzijds een brede consensus dat ze het waard zijn om ondernomen te worden (denk bijvoorbeeld aan het aanleggen van een extra landingsbaan bij Schiphol), maar is er anderzijds geen gemeenschap bereid de nabijheid van het project te tolereren. Economen hebben een instrument om met zulke situaties om te gaan. Als de bij elkaar opgetelde nettovoordelen van het project positief zijn, dan moeten ze simpelweg herverdeeld worden op een geschikte manier. De gemeenschappen die bereid zijn om het ongewenste project te aanvaarden binnen hun grenzen moeten gecompenseerd worden op zodanige wijze dat hun netto positie verbetert.7
In een onderzoek in Zwitserland werd gekeken naar het effect van extrinsieke prikkels op de motivatie en de bereidheid van lokale gemeenten voor het opslaan van nucleair afval. Eerst werd er een enquête afgenomen onder de populatie van de gemeente die door de overheid was gekozen om de plek te herbergen. Meer dan de helft van de respondenten (50,8%) ging akkoord met het bouwen van een opslagplaats voor nucleair afval binnen hun gemeente terwijl 44,9% tegen de bouw van de opslagplaats stemde (4,3% was onverschillig).
De overheid besloot de bereidheid te vergroten door compensatie aan te bieden voor de bouw van een opslagplaats. Als meer dan 50% de bouw nu al goed zou keuren, dan zou dit aantal alleen maar groter worden door een extra prikkel aan te bieden, zo was de gedachte. Aan de respondenten werd wederom de vraag gesteld of zij bereid waren de bouw van een opslagplaats voor nucleair afval te accepteren, waarbij werd vermeld dat het Zwitserse parlement een substantiële vergoeding toe zou kennen aan alle inwoners van het betreffende gebied. Hoewel 50,8% van de respondenten toegezegd had om de bouw van de opslagplaats te accepteren zonder vergoeding, daalde het niveau van acceptanten tot 24,6% wanneer een vergoeding zou worden aangeboden. Daarnaast bleek dat de hoeveelheid vergoeding geen significant effect had op het niveau van acceptatie. Een kwart van de respondenten verwierp zelfs de hele bouw van de opslagplaats vanwege het feit dat er een financiële vergoeding aan vast zat.8