Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/376
376 Vaststelling van de bezoldiging in strijd met het bezoldigingsbeleid
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370228:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder andere Van Slooten en Zaal die een verschil maken tussen de afwezigheid van het bezoldigingsbeleid en handelen in strijd met het bezoldigingsbeleid. Van Slooten & Zaal 2008, p. 296. In gelijke zin ook Dortmond die stelt dat een bezoldigingsbesluit dat wordt genomen zonder een daaraan ten grondslag liggend bezoldigingsbeleid nietig is. Het bezoldigingsbesluit dat afwijkt van het bezoldigingsbeleid is daarentegen niet snel nietig. Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 251. Bulten, daarentegen, is van mening dat het bezoldigingsbesluit rechtsgeldig is onafhankelijk van de vraag of een bezoldigingsbeleid aanwezig is of het besluit in strijd is met het beleid. Bulten 2014, p. 115.
Zie ook Huizink 2015, nr. 14. In dit geval kan art. 3:41 BW (jo 3:59 BW) van toepassing zijn. Betreft de grond voor nietigheid slechts een deel van een rechtshandeling, dan blijft deze voor het overige in stand, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat. Zie ook de randnummers 384 en 385 over het geheel of deels ontzeggen van de werking aan nietige vertegenwoordigingshandelingen. Zie verder het Connexxion-arrest waarin de rechter niet toekomt aan de vraag of een clausule in de arbeidsovereenkomst nietig is vanwege strijd met het bezoldigingsbeleid. Rechtbank Utrecht 22 september 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BO2907 (Connexxion), r.o 4.16. De wederpartij had aangedragen dat deze clausule wel rechtsgeldig tot stand is gekomen omdat de aandeelhouders op een later moment wisten dat de regeling uit de eerder overeengekomen arbeidsovereenkomst bij zijn ontslag zou moeten worden toegepast.
Meijer-Wagenaar 2006, p. 687; Huizink 2015, nr. 14. Zie ook Rechtbank Rotterdam 30 maart 2011, JAR 2011/128 (De Vries/Econosto).
Meijer-Wagenaar stelt dat “het inachtnemen van het beleid een voorwaarde is voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Wanneer het bezoldigingsbeleid niet in acht is genomen en er toch een besluit wordt genomen, is er naar mijn mening wel geldig vertegenwoordigd (vergelijk art. 2:135 lid 4 BW) [het huidige art. 2:135 lid 5 BW, toevoeging ECHJL], maar het besluit dat in strijd met het bezoldigingsbeleid is genomen, is mijns inziens nietig, namelijk in strijd met de wet (art. 2:14 BW).” Meijer-Wagenaar 2006, p. 687. Ze lijkt zichzelf tegen te spreken. Immers, eerst is het in acht nemen van het bezoldigingsbeleid nog een voorwaarde om te vertegenwoordigen en vervolgens is er, ondanks het niet in acht nemen van het bezoldigingsbeleid, geldig vertegenwoordigd (maar is het besluit alsnog nietig wegens strijdigheid met de wet). Ook Huizink stelt dat een bezoldigingsbesluit, dat genomen is in strijd met het bezoldigingsbeleid, strijdig is met de wet en daarom nietig. Hij laat in het midden of in dat geval wel rechtsgeldig vertegenwoordigd is. Huizink 2015, nr. 14.
Deze benadering sluit mijns inziens ook beter aan bij de gedachte dat art. 2:135 lid 4 BW een vertegenwoordigingsbepaling is. Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid is, indien statutair gedelegeerd aan een orgaan, niet autonoom. De algemene vergadering kan beperkingen opleggen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid bij het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders.
De afwezigheid van een bezoldigingsbeleid lijkt op het eerste gezicht in wezen anders dan het vaststellen van de bezoldiging in strijd met het bezoldigingsbeleid.1 In het eerste geval kan in het geheel geen bezoldiging worden vastgesteld wegens het niet voldoen aan een minimale vereiste, terwijl in het tweede geval weliswaar een bezoldiging kan worden vastgesteld zolang binnen de grenzen van dit beleid wordt gebleven. Wat de sanctie betreft is er geen wezenlijk verschil tussen beide. In allebei de gevallen is er sprake van een nietig bezoldigingsbesluit.2
Primair komt de nietigheid voort wegens strijd met de wet of statuten.3 De vraag is of strijd met de wet gebaseerd is op handelen door een onbevoegd orgaan of anderszins moet worden aangenomen. Meijer-Wagenaar stelt bijvoorbeeld, dat er wel vertegenwoordigingsbevoegd is gehandeld, maar dat het bezoldigingsbesluit nietig is wegens strijdigheid met de wet.4 Naar mijn mening is deze nietigheid de resultante van de vertegenwoordigingsonbevoegdheid van de raad van commissarissen om buiten de grenzen van het bezoldigingsbeleid bezoldigingsafspraken overeen te komen. Er is in dit geval niet zozeer sprake van vertegenwoordiging door een compleet onbevoegd orgaan, maar door een orgaan dat geen autonome vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de raad van commissarissen wordt beperkt, zowel door de aanwezigheid van het bezoldigingsbeleid als de grenzen die gesteld worden door het bezoldigingsbeleid. In die zin kan het bezoldigingsbeleid dan ook het beste worden gezien als ware er sprake van een vooraf vereiste wettelijke goedkeuring of toestemming. De nietigheid komt in dat geval voort uit het ontbreken hiervan.5
Opgemerkt dient te worden dat het aanmerken van het bezoldigingsbeleid als ware het een vereiste voorafgaande goedkeuring geen direct precedent heeft. De interpretatieruimte beperkt zich in dergelijke gevallen normaliter tot de vraag óf goedkeuring gevraagd moet worden. Staat dat eenmaal vast, dan wordt vervolgens de goedkeuring (indien daarom wordt gevraagd) gegeven of onthouden. Bij het bezoldigingsbeleid is sprake van het omgekeerde. Vaststaat dat ‘goedkeuring’ moet worden gevraagd doordat is bepaald dat de bezoldiging wordt vastgesteld met inachtneming van het beleid. De interpretatieruimte ziet vervolgens op de reikwijdte van de goedkeuring: de grenzen van het bezoldigingsbeleid. Vanwege de bijzondere positie van de bestuurder als actor binnen de deelrechtsorde en als ‘derde’, acht ik het aanmerken van het bezoldigingsbeleid als voorafgaande vereiste goedkeuring gerechtvaardigd. Daarnaast is er mijns inziens nog een belangrijke reden om de mening te zijn toegedaan dat de nietigheid voortkomt uit het ontbreken van de vereiste goedkeuring: bekrachtiging van een nietig bezoldigingsbesluit door de algemene vergadering is dan mogelijk.6