Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.2:6.3.2 Ontstaansmoment verplichting tot herziening
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.2
6.3.2 Ontstaansmoment verplichting tot herziening
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494568:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik kom nog te spreken over de vraag of de éénjaarstermijn daadwerkelijk als een bewijsvermoeden kan worden opgevat (paragraaf 6.3.2.3).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Anders dan bij de teruggaaf van btw bij oninbare vorderingen (art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017)) is voor de ‘correctie vooraftrek’ geen afzonderlijke bepaling ingericht voor het ontstaansmoment van de herzieningsverplichting. In plaats daarvan bepaalt art. 29 lid 7 Wet OB 1968, in lijn met art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017), dat de ondernemer zijn aftrek moet herzien op het tijdstip waarop komt vast te staan dat hij de vergoeding niet of niet geheel zal betalen, met dien verstande dat de btw ieder geval verschuldigd wordt één jaar na het opeisbaar worden van de vergoeding voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald. Dit bewijsvermoeden1 bestond ook al onder art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017), zij het dat voorheen een tweejaarstermijn van kracht was. Nieuw ten opzichte van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) is dat het (voorheen) gecodificeerde redelijkheidscriterium is komen te vervallen.
In de navolgende paragraaf (6.3.2.1) sta ik stil bij de vraag of het redelijkheidscriterium met bedoelde decodificatie tot het verleden moet worden gerekend. Dat het ontstaansmoment van de herzieningsverplichting niet enkel relevant is voor het kunnen nakomen van fiscale verplichtingen komt tot uitdrukking in paragraaf 6.3.2.2. Zo is het in faillissement van groot belang om schulden te categoriseren met het oog op de uitoefening van verhaalsrechten door de schuldeisers. Paragraaf 6.3.2.3 staat vervolgens in het teken van de éénjaarstermijn. In paragrafen 6.3.2.4 en 6.3.2.5 ga ik in op de verhouding tot het Unierecht en het rechtskarakter van de btw. Ik kom tot een slotsom in paragraaf 6.3.2.6.
6.3.2.1 Het redelijkheidscriterium6.3.2.2 De faillissementsrechtelijke status van de herzieningsverplichting6.3.2.3 De éénjaarstermijn6.3.2.4 Verhouding tot het Unierecht6.3.2.5 Verhouding tot het rechtskarakter6.3.2.6 Slotsom